Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE „HONINGZOETE".')

't Was midden September toen zij verscheen in *t dorp *— God behoede ons. Tsèvo, de dochter van Zaranikas, was de eerste die haar zag. Tegen den avond ging ze een mandje druiven brengen naar Zevgaraki en werd onderweg overvallen door de duisternis. Ze zag haar heel duidelijk en bleef staan uit nieuwsgierigheid. Zij ging langs haar heen, een lange gestalte in een wit gewaad, gehuld in een witten hoofddoek, en haar stap was niet te hooren. Zij zag haar niet, keek niet naar haar. Zij liep regelrecht naar 't eind van 't dorp, stond alleen even stil bij de deur van Arsèno, de weduwe van Ghiorgakas zaliger, en verdween in 't ravijn. Tsèvo sloeg een kruis, mompelde; „Kom met Gods zegen, ga met Gods zegen," en ging naar 't dorp. De winkel van Nikolóélas was nog open: in 't voorbijgaan vertelde ze 't daar. Dienzelfden avond ging het nieuwtje van mond tot mond, dat Tsèvo met eigen oogen de Honingzoete buiten 't dorp had zien voorbij gaan en zelfs even stilstaan bij de deur van Arsèno. Wee hun, wat een ongeluk!... De vrouwen staken gauw de kaarsen voor de heiligenbeelden aan en brandden wierook in de kamers; alle huizen werden gesloten; alleen de oude onderburgemeester, kapitein Stathakis, ging den ganschen nacht van huis tot huis om den menschen moed in te spreken.

„Wat komen moet van God, zal komen," zei de

) Euphemisme voor de gepersonifieerde pokziekte.

Sluiten