Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt een dief en moordenaar. Tegen z'n wil zal hij den stal van den herder binnensluipen, noodgedwongen zal hij de beurs van den voorbijganger leegen en den vreemden reiziger overvallen. En op die manier was Liarokappis, de schoonzoon van Nikólas Trypias, een beruchte kleft geworden: en ze hadden zelfs al een lied op hem gemaakt. Drié maal was hij in aanraking geweest met de soldaten en drie maal had hij behalve z'n eigen bloed ook een paar gewonden achtergelaten. Als zijn troep met de soldaten slaags was, kon ieder dorp van Xerómero tot Valtos temidden van 't gefluit der kogels de doffe braking van zijn chassepot-geweer hooren dat 't een lust was, z'n geweer dat al vele jaren leefde steeds op hooge bergen en onbegaanbare toppen, nagelaten door de moede handen van den ouden kleft aan den onbevreesden, dapperen pallikaar.

Toen Artinia haar vader zoo treurig zag, begon ze met lachende lippen te babbelen. Ze vroeg haar man hoe hij er zich doorheen sloeg met 't koude water, de frissche kruiden en de gevaarlijke bergtoppen. Ze drong er met klem op aan dat hij haar zou laten zien of een oude wond in z'n linkerkuit was dichtgegaan, en vroeg hem ten slotte of hij z'n vuile kleeren wou verwisselen. Liarokappis gaf nergens antwoord op: hij lichtte alleen telkens z'n woesten kop op, opende z'n dikke lippen en liet elk oogenblik een gebrom hooren. Hij zat weggedoken in z'n mantel, de karabijn onder z'n arm, en leek wel een hazeslaap te hebben, want bij elk gehuil van Malliarós en bij 't geringste zuchtje van

NGN5 51

Sluiten