Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werking van allen, in het belang van het algemeen, zal in deze richting verbetering kunnen worden bereikt.

Wat het derde hoofdpunt van onze beginselverklaring betreft, hierboven onder C vermeld, in het oorspronkelijke, voor den oorlog ontworpen programma van actie lag dit beginsel uit den aard der zaak nog niet. Eerst door den oorlog is de groote beteekenis hiervan naar voren gekomen. Zeer vele Nederlanders hebben ingezien dat Nederland langzaam aan een heel eind op weg komt om zijn onafhankelijkheid te verliezen en ieder die nog wat voelt voor ons volkskarakter en voor onze nationale traditie, moet tegenover dit gevaar front maken. De partijpolitici trekken zich hier over het algemeen heel weinig van aan, er zijn zelfs Nederlandsche politici van gezag, leiders van politieke partijen die, verblind door eerzucht of door hun partij dogma's, zich niet ontzien op een niet te qualificeeren wijze opvattingen te propageeren, die op den duur tot verlies van ons onafhankelijk volksbestaan moeten leiden. Nederland mag zich zeker niet door den een ot den ander der strijdende partijen tegen den tegenstander laten uitspelen op een wijze, die rampen brengen zoude over ons vaderland, maar wij mogen en moeten eischen dat de Nederlandsche Regeering en de Nederlandsche volksvertegenwoordiging zich rekenschap geven van het zeer groote gevaar dat er dreigt van de ééne zijde vooral; dat wij niet een struisvogelpolitiek volgen en de oogen sluiten voor de wijze waarop daar een toekomstige annexatie en een economische saamhoorigheid als iets vanzelfsprekends wordt voorgesteld.

Wat punt D van de beginselverklaring betreft, moet uitdrukkelijk geconstateerd worden dat de A. S. F. ten volle de' waarde van het geestelijk leven en van zedelijke idealen erkent. Wij zien in het onderwijs niet in de eerste plaats het middel om de leerlingen af te richten en klaar te maken voor een beroep; het onderwijs moet den leerling ontwikkelen en brengen op een geestelijk hooger peil. Ons onderwijs, dat maar al te vaak africht voor examens zonder te ontwikkelen, verliest dit maar al te vaak uit het oog.

Maar wanneer wij ten volle de groote beteekenis van het geestelijk leven en van zedelijke idealen erkennen, moeten wij toch met twee restricties rekening houden. In de eerste plaats zal dit geestelijk leven en het streven naar zedelijke idealen slechts dan tot zijn recht kunnen komen wanneer het gebaseerd is op den grondslag van een bevredigenden welvaartstoestand; wij mogen niet den behoeftigen landgenoot paaien met geestelijk leven en zedelijke

Sluiten