Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"vredeswil aan heel de wereld oplegt, zonder op eenig eigen voordeel bedacht te zijn.

Dat het daartoe komen kan, mag worden betwijfeld. Het vereischt niet slechts macht en menschenliefde, het vereischt een klaarder inzicht in de toestanden der wereld, in de psychologie der volken, dan in dezen oorlog door eenig staatsman is getoond, om zoo iets tot stand te brengen. En hoe vurig wij wenschen, dat de verschrikking van den oorlog zoo snel mogelijk tot het verleden zal gaan behooren, dat de legers voorgoed worden ontbonden, de oorlogsindustrieën zullen uitsterven en omgezet worden in nuttige nijverheid — wij moeten wel bukken voor de omstandigheden en erkennen, dat zulke illusies ons nooit zullen mogen weerhouden, te doen wat wij zeiven noodig achten, om ons land, zijn koloniën en beider ongerepte souvereiniteit tegen machtsmisbruik van buiten te beschermen.

Met het ontzettend lot, dat zooveel andere staten heeft getroffen, voor oogen, mogen wij de leuze „geen man en geen cent" niet ■aanheffen, voordat absolute zekerheid bestaat, dat ons geen oorlogsleed kan wedervaren. Noode en met al onze kracht strevende naar bevordering der vredesidee en naar het scheppen van toestanden, waarin zij vruchtbaar kan worden, moeten wij den plicht der volkeren, om zich op verdediging voor te bereiden, blijven erkennen.

Wil dat zeggen, dat wij onmiddellijk na den oorlog zullen streven naar het verkrijgen eener weermacht, die zich tot verdediging onzer gebieden kan meten met de legers der groote mogendheden? Al zouden wij het willen, wat zou 't ons baten?

Voor het instandhouden van een leger is tegenwoordig nog iets anders noodig dan een overvloed van wakkere mannen. Daarover beschikken alle volken, en noch hun aantal noch hun dapperheid, noch zelfs de mate hunner geoefendheid verzekeren beveiliging. De eerste vraag, waar het om gaat is, of een land beschikt over de economische, agrarische en industrieele organisatie, of het de hulpbronnen en middelen bezit om zulk een leger te kunnen voeden, uitrusten en in stand houden. Daarnevens staat een andere: of het een sterke oorlogsmentaliteit heeft, of zijn opvoeders, zijn ingenieurs, zijn financiers, zijn industrieelen, zijn regeerders bij al wat zij doen nimmer uit het oog verliezen, dat zij den plicht hebben aan de oorlogskracht van het volk te denken.

Voordat wij in de toekomst over een weermacht spreken, zullen

Sluiten