Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzwakken, zeide Lord Beaconsfield. Maar Engeland behield zich toch nog het recht voor, de koopvaardijschepen van den vijand en de goederen, voor het vijandelijke land bestemd, in beslag te nemen. Door de afschaffing van de kaapvaart ging slechts, om zoo te zeggen, het plunderingsrecht van particulieren als monopolie op den Britschen staat over.

Toen stelde de Amerikaansche minister aan Frankrijk voor, dat particulier eigendom ter zee even onschendbaar zoude zijn als te land, met het argument, dat „plundering in strijd was met het moderne volkenrecht". Hier werd de daad in een openbaar stuk in vredestijd bij haar waren naam genoemd. Dit baarde niet gering opzien, ook in Engeland. De Engelsche regeering werd ongerust en verzocht de zaak in overweging te mogen nemen. Dat was ih het jaar 1856. Zij overwoog tot het jaar 1914.— Sedert dien overweegt zij niet meer. In plaats daarvan heeft zij haar vroegere concessies ingetrokken.

Na den oorlog van Pruisen met Denemarken gaven de twee elkander den op zee gemaakten buit terug. Gedurende den oorlog tusschen Pruisen en Oostenrijk-Hongarije in 1866 werd hetzelfde beginsel gehandhaafd. In den oorlog van 1870 tusschen Pruisen en Frankrijk stelde Pruisen aan Frankrijk dit beginsel voor, maar Frankrijk weigerde toen. Op de eerste Haagsche conferentie in 1899 werd het voorstel weder gedaan door den president der Vereenigde Staten, ondersteund door de vertegenwoordigers van Nederland en Duitschland. De Engelsche vertegenwoordiger wilde de vraag van de hand gewezen zien. De conferentie was, zoo beweerde hij, niet bevoegd haar te behandelen. Dat was het standpunt van de Engelsche regeering. — Toen stelde de president, von Mariens, voor, dat de Conferentie den wensch zou uitspreken, dat de vraag der onschendbaarheid van den particulieren eigendom ter zee op de agenda van de volgende conferentie geplaatst zou worden. Dit werd aangenomen, maar Engeland, Frankrijk en'Rusland stemden tegen. Op de tweede Haagsche conferentie kwam Duitschland weer met het voorstel voor den dag. Het strandde nogmaals op den tegenstand van Engeland. Toen verklaarde Duitschland zich bereid in te gaan op de beraadslaging over beperking van bewapening, voor het geval Engeland de onschendbaarheid van den particulieren eigendom ter zee, als te land, wilde erkennen. De president der Vereenigde Staten ondersteunde dit. Engeland weigerde, met Frankrijk en Rusland. — Op de Haagsche conventie van 1907 werd ook besloten tot het oprichten van een internationaal prijsgerecht: een rechtbank, die de beslissing heeft in geschillen over het in beslag nemen van een vijandelijk schip en zijn lading. Het Engelsche Hoogerhuis weigerde zijn goedkeuring te geven aan de overeenkomst betreffende deze internationale rechtbank.

De nota der geallieerden van 30 December 1916 zegt: „In den Haag wees de vertegenwoordiger van Duitschland elk voorstel tot ontwapening af." Deze zinsnede is naar inhoud en strekking een onwaarheid, in tegenspraak met openbare documenten. Engeland, noch Frankrijk, noch Rusland, heeft een voorstel tot ontwapening gedaan.

Sluiten