Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste Haagsche conferentie aan, openlijk te onderhandelen over beperking van zijn vlootbouw, voor het geval Engeland het volkenrechtelijk beginsel erkennen wilde, dat alle andere staten bereid waren wettelijk vast te leggen, en waarover velen hunner reeds verdragen hadden gesloten, namelijk dat de partikuliere eigendom ter zee evenals te land onschendbaar zou zijn.

Dat Engeland deze gelegenheid om aan de drukkende militaire lasten te ontkomen niet aangreep, kan verschillende redenen hebben. Een gewichtige reden waren zijn Afrikaansche plannen, een andere niet minder gewichtige: zijn Aziatische. Kon Duitschland door Turkije naar invloed in Klein-Azië streven, Engeland wenschte dit niet minder met Egypte en Irtdië aan zijn zijde. Het gevaar, dat Duitschland door middel van een weder opgericht Turkije zich hier kon vestigen en misschien Indië bedreigen, in ieder geval Engeland's droom van één rijk van de Kaap tot Malakka, onvervulbaar zou maken, heeft zeker een rol gespeeld in de Engelsche politiek. Maar daarbij kwam vooral de gedachte aan Egypte.

Engeland heeft in een reeks van verdragen betuigd, dat het dit land slechts zóó lang bezet wilde houden, totdat het in een geordenden toestand gebracht zou zijn. Aan deze verdragen heeft het zich later in alle stilte tegenover Frankrijk onttrokken (1904), niet echter tegenover Duitschland, Oostenrijk-Hongarije of Turkije. Toen Turkije nu door zijn constitutioneele grondwet van 1908 en door Duitsche organisatie een macht en een geordende staat beloofde te worden, was het te voorzien, dat Engeland weldra aan zijn verplichtingen zou moeten voldoen. Dit zou echter het verlies van een van zijn belangrijkste bronnen van inkomsten beteekenen. Er moest dus snel gehandeld worden, alvorens het gevaar acuut'werd. In nauw verband met deze koloniale belangen stonden dus de economische overwegingen. Het was immers juist hun economische waarde, die deze landen beteekenis gaf. „Hem die den wereldhandel beheerscht, vallen alle schatten der wereld, ja de wereld zelve ten deel. Maar hij, die meester op zee is, is ook meester over den wereldhandel."

Daarom kon Engeland van de autocratische alleenheerschappij ter zee geen afstand doen naar democratischen eisch. En daarom moest het bijtijds elke beperking, die het door rechtsaanspraken of eerzuchtig streven naar onafhankelijkheid van andere mogendheden dreigde, tegengaan. Gelijk bekend is, was' dat ook de opvatting in Engeland. Het dikwijls genoemde artikel inde „Saturday Review" van 1897, inhoudende dat de vele commercieele wrijvingen tusschen de beide landen tenslotte den grootsten oorlog der wereld in het leven zouden roepen, is in zijn kortheid profetisch. Maar er zijn nog andere stemmen. Den derden Augustus 1912 bevat „John Buil", dat in een millioen exemplaren verschijnt, een artikel, betoogende, dat de oorlog met Duitschland onvermij del ij"k is en hoe eerder hoe beter moest worden begonnen: 1°. Moeten wij wachten, totdat de inkomstenbelasting vermeerderd is tot Ve Per £>> 2°- tot de industri-

Sluiten