Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Londen,op te richten.dat den internationalen handel der geheele wereld omvat. Door de manoeuvres met den onzijdigen tonneninhoud is ook deze onder het Britsche imperium getrokken. De beteekenis hiervan voor den buitenlandschen handel der noordelijke staten zal zich spoedig toonen. Maar zelfs den binnenlandschen handel der onzijdige staten heeft het Engelsche handels-imperium gedwongen onder zijn macht te komen. Sic volo, sic veto, sic jubeo!

4°. Om zijn economische belangen heeft Engeland dus zijn volkenrechtelijk despotisme ter zee niet willen opgeven. Voornamelijk door drie middelen heeft het getracht zijn politiek economisch doel te bereiken, zijn commercialisme te bevestigen: 1°. zijn steenkolen, 2°. zijn oorlogswapenen, en 3°. zijn handelsspionnen en zwarte lijsten.

Door zijn steenkolen beheerscht het het grootste gedeelte der scheepvaart van Europa en een groot gedeelte van de nijverheid. Zijn tot nu toe ontdekte beddingen bedragen slechfs ongeveer een derde van die van Duitschland. Maar de kolen zijn over het geheel genomen beter, en bovendien kunnen zij dadelijk naar zee worden vervoerd, zoodat het transport gemiddeld slechts een derde van het vervoer te land kost. Daardoor kan Engeland zijn voorwaarden stellen, en het doet dat ook. En om te verhinderen, dat iemand zich onafhankelijk maakt van deze voorwaarden, heeft het de onzijdigen verboden zich elders van kolen te voorzien. — Voorts heeft Groot-Britannië zijn oorlogsmacht, en het maakt daarvan gebruik. Door zijn ideale ligging in verband met de vaart van Europa naar overzeesche havens, kan het, practisch gesproken, het geheele verkeer tusschen noordelijk Europa en Amerika controleeren, en het heeft daarvan gebruik gemaakt om de zee te versperren, zooals boven uiteengezet is onder „het volkenrechtelijk despotisme".

Zijn stelsel met zwarte lijsten zullen wij afzonderlijk behandelen. De beide andere middelen hebben er toe geleid, dat de Noorsche scheepvaart verscheiden honderden mannen en bijna vijf honderd van zijn beste schepen heeft verloren, dat de Noorsche visscherij en zijn oliebedrijf honderden millioenen kronen er bij ingeboet heeft, en de Noorsche nijverheid bedragen, die men moeilijk vast kan stellen. Met de gewone handigheid speelde de Britsche politiek het belang van den eenen stand tegen den anderen uit. Visscherij en olievervaardiging hadden het grootste belang bij verbinding met Duitschland. De scheepvaart daarentegen wenschte bovenal ongehinderd verkeer over zee en was als van ouds van meening, dat men op goeden voet met Engeland moest staan. Van deze tegenstelling heeft de Britsche politiek gebruik gemaakt om van ons te eischen de belangen van ons visscherij-*bedrijf en onze mijnbouwindustrie op te offeren in ruil voor de levering van steenkolen aan de scheepvaart en voor de toestemming eenige andere waren uit onzijdige landen te halen. Terwijl de uitvoer van olie en dergelijke artikelen vóór den oorlog naar Duitschland driemaal zoo groot was als naar Engeland, werd die door het verbod van 18 Augustus 1916 verminderd tot beneden Ve van den uitvoer naar Engeland. De export werd dus Vis van den normalen van vóór den

Sluiten