Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als aan de maan. Toch weert het zich om het bolwerk tegen den aanval van Rusland op te richten, waarop het tegenover Rusland volkenrechtelijke aanspraak heeft krachtens verdragen van 1809 en 1856. In den herfst van 1915 zou het dit hebben kunnen doen, toen Hindenburg op marsch naar St. Petersburg was. Het had kunnen eischen, dat Finland zijn rechten kreeg, die Rusland onder eede had erkend, doch met geweld had geschonden om zich een betere militaire basis tegen Zweden—Noorwegen te verschaffen. In de verhandelingen van den minister van oorlog Koeropatkin o. a. waren voor Zweden voldoende redenen te vinden om te veronderstellen, dat Rusland's politiek in Finland ook op Zweden zelf toegepast zou worden. Het zou door zulk een eisch slechts zijn recht op Finland's recht voorgestaan hebben. Dit zou misschien Rusland, dat reeds op het' punt stond een afzonderlijken vrede te sluiten, er toe gebracht hebben, een beslissing in dezen zin te nemen, en daarmede zou de wereldoorlog uitgeweest zijn. Het zou nog eens aan de menschheid een der grootste diensten hebben bewezen. Er was een beweging daarvoor gaande. In Rusland sidderde de oorlogspartij voor de mogelijkheid. Toen zeide een wijs man van het Russische departement van buitenlandsche zaken, dat men zich niet moest verontrusten. Zweden zou ook ditmaal de gelegenheid niet weten te gebruiken. De Russische diplomatie bezit het aangeboren talent van zijn ras voor menschenkennis. Zweden greep niet in. De redenen, die het daar voor had, zullen wel te zijner tijd volkomen worden opgehelderd. En die, welke thans reeds kunnen genoemd worden, zijn niet alle geschikt om in dezen tijd besproken te worden. Een er van was de verhouding tot Engeland, tot het volkenrechtelijk despotisme ter zee.

2. Denemarken.

De Deensche buitenlandsche politiek heeft kranig een buitengewoon zware taak ten einde gebracht; een taak, die niet weinig werd bemoeilijkt door de Deensche openbare meening, die voornamelijk beheerscht wordt door de herinnering aan 1864.

1°. Het is nu eenmaal zoo, dat een onrecht, dat men geleden heeft, gemakkelijk het onrecht, dat men zelf begaan heeft, volkomen doet vergeten, zoodat men zich zelf als een martelaar beschouwt. Zoo willen ook Deensche nationalisten er niet van hooren, dat de inlijving van Sleeswijk door Pruisen, beoordeeld naar het aangebeden nationaliteitsbeginsel, toch niet — quantitatief genomen — zulk een groot onrecht was als de toeèigening van Holstein en Sleeswijk door Denemarken. Zelfs een zoo verbitterde vijand van Pruisen als Orla Lehmann schrijft in hetzelfde jaar 1864, dat „de schuld van Denemarken's ongeluk (in '64) tegelijkertijd in de fouten van de Deensche regeering te zoeken" is. De verdeeling volgens het nationaliteitsbeginsel, die Denemarken op de Londensche conferentie werd aangeboden, had het, gelijk bekend is, verworpen en het had een andere grens geëischt, die tegen dat principe inging. Dat zijn eisch zoo werd ingewilligd, dat

Sluiten