Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX.

De beide waardeeringsbeginselen.

1°. Een ideaal kan op twee wijzen dienst doen. Het kan het zinnebeeld voor een heiligen plicht zijn. Dan spreekt men er weinig over. Men stelt den weg naar zijn allerheiligste niet open voor het publiek. Men strooit, wat men hoog stelt, niet uit om het door anderen te laten bekijken en bezoedelen. Men tracht ook niet bijval daardoor te oogsten of de bewondering der openbare meening te winnen. Hij, voor wien zijn plichten zijn idealen zijn, wenscht geen waardeering van anderen. Het is niet zijn bedoeling zich er een positie door te verschaffen of een bron van inkomsten, of na te gaan wat hem het meest oplevert. Een ideaal, waarmee hij voordeel zou behalen, zou hem doen denken aan het leven van een slechte vrouw, en hij zou het indringerige publiekvriendelijk verzoeken zich zijn eigen afgoden te scheppen en zich met zijn eigen zaken te bemoeien. En daarna zou hij zijn deur sluiten en bij zich zelf nagaan, waarin hij met het oog op zijn plicht verkeerd gedaan had, — of hij zou zich afvragen, of zijn ideaal ook nu werkelijk het hoogste was, dat hij zich kon denken.

2°. Een ideaal kan ook een andere taak vervullen: het kan dienen als schild. Het kan als een vlag gezwaaid worden en uitgeroepen worden tot de menigte als een reclame en versierd tot programma's voor de onnoozelen en tot een frase worden voor hem, die het verkondigt. Waar het ideaal een lokkend schild is, kan het wel dienen als eisch voor anderen en als aanklacht tegen anderen, maar niet voor den verkondiger; het kan niet tot een „plicht" worden. Dat is niet zijn bedoeling. De verkondiger blijft er nooit mede alleen. Hij deelt het met het publiek, hij houdt het slechts voor zich uit als een wapenschild gedurende den aanval op anderen. Het is bestemd om er zuivere winst uit te slaan, den wil van anderen te vangen — als schoon klinkende leuze, als verblindende oogenschijnlijke waarheid. De inwendige waarde is onverschillig. De menschen willen bedriegen en bedrogen worden, maar ongaarne zoo duidelijk, dat zij het zelf moeten inzien, nog minder graag zóó, dat anderen het moeten zien. Bij den schuldige, die zich wel bewust is van zijn slechte handeling, wordt het schaamtegevoel eerst dan wakker, wanneer anderen van de handeling hooren. Het algemeen oordeel, hoe iets klinkt, zich voordoet, er uit ziet, opgevat wordt, besproken wordt, dat is de beslissende leiddraad voor hem, wiens idealen niet een plicht voor hem zeiven zijn, maar een vignet voor anderen. Het individu heeft dan een openbaar, maar geen particulier geweten.

3°. In landen, waar de openbare meening de eigenlijke macht is. zal dit feit een aansporing beteekenen om het openbare geweten in

Sluiten