Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de plaats te doen treden van het particuliere. In landen, waar de politiek gegrond is op het parlementarisme, zal de openbare meenihg zich doen gelden als de eigenlijke leiddraad van het individu. De staatsman, wiens invloed afhangt van de gunst der openbare meening, moet een verzameling, een „repertoire" van oogenschijnlijke waarheden bezitten. Zij mogen niet al te degelijk zijn, want dan worden zij moeilijk te begrijpen. En de koning van de openbare meening, de menigte, begrijpt moeilijke gedachten niet. Het mogen ook niet werkelijke waarheden zijn. Want de werkelijke waarheden bevatten plichten. De menigte echter heeft een afschuw van plichten ; daarop laat zich geen openbare meening gronden ; de openbare meening staat vijandig tegenover plichten, „kruisigt ze!"

Het zijn dus formeele, oogenschijnlijke waarheden, die de parlementaire staatsman gebruiken kan. De idealen hebben dus tot taak hem te dienen; niet omgekeerd, en zij kunnen daarom betrekkelijk -licht worden uitgeschakeld, daar waar zij minder dienstig zijn. Deze oogenschijnlijke waarheden of idealen maken dus zijn programma uit. Een parlementair politicus heeft een programma dringend noodig. Daarentegen heeft hij niet zooveel behoefte aan een geweten. Onder zekere omstandigheden kan dit zelfs last voor een programma zijn.

Het ideaal zal zich als plicht, als innerlijk geweten, doen gelden, daar waar het individu zijn eigen zieleleven, zijn eigen binnenste, het hoogst stelt. Het zal zich vertoonen als vignet, daar waar het individu iets uiterlijks, het „winnen van deze wereld", het hoogst stelt. De levensbeschouwing en de handelingen van een mensch hangen af van wat hij als het hoogste beschouwt. Datgene, waarvoor men gevoelt, bepaalt ook dat, waarvoor men niet gevoelt. Bijvoorbeeld: Hij, die het winnen van geld en aanzien het hoogste vindt, zal onwillekeurig gevoelloos worden voor de doeleinden van anderen, voor lijden en geluk. Maar hij zal hen ook ongemoeid laten, voorzoover hun wil den zijne niet kruist. Daarom is het hem onverschillig, welk godsdienstig, staatkundig, of ander theoretisch standpunt anderen innemen. Daarentegen zal hij, die een bepaald beginsel met hart en ziel aanhangt, geneigd zijn het ook aan anderen op te dringen. Het is dus minder drukkend, gemakkelijker, wanneer men volkomen onverschillig is voor het wel en wee van anderen, dan wanneer men het zijn medemensen niet slecht kan zien gaan. Het leven leert voortdurend, dat het aangename en het nuttige geen congruente begrippen zijn.

4°. Indien men de beide rijken, die in de eerste plaats den oorlog voeren, Duitschland en Engeland, met elkaar vergelijkt, dan valt een merkwaardige tegenstelling tusschen hen op. Het Britsche wereldrijk is het grootste, dat ooit is gevormd. Het heeft ongeveer een vierde der bevolking van de wereld en ongeveer een vierde van alle menschen spreekt of verstaat dus de Engelsche taal. In zoover is de Engelschman, boven allen, cosmopoliet. „In zoo ver", want aan den anderen kant is de Engelschman de ontoegankelijkste mensch van de wereld. In bijna ongeloofelijke mate is de Engelsche natie „zich zelve genoeg". Dit is wel haar meest typische karaktertrek. Ieder Engelsch-

Sluiten