Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staatsrechterlijk despotisme, zal eerder een vloek dan een zegen z ij n. Het kan in het kort gezegd worden, dat een rechtsorganisatie tusschen de volken steunen moet op algemeen aangenomen, op internationale, beginselen, zoowel van het staatsrecht als van het privaatrecht. Er ontbreekt echter nog zeer veel aan, dat deze algemeen erkend zijn. Een taak voor hem, die een wereldrechtsorde wil opbouwen, is dus: in de eerste plaats een vasten grondslag voor internationale rechtsbeginselen te krijgen, door deze in de verhouding tusschen de staten vast te leggen, o. a. door verdragen, gewoonterechten, en door in de wetgeving der afzonderlijke staten bepaalde internationale ideeën tot nationale geldigheid te brengen.

3°. De noordelijke staten hebben in hun buitenlandsche politiek het hoogste belang bij elk streven naar opbouw van zulk een wereldomvattende rechtsorde. Het is dus voor hen van belang te weten, welke groote mogendheden zich voor dat streven bij hen aansluiten. En daarom heeft het ook zoo groote beteekenis gehad voor alle voorstanders van een internationaal recht en vrede, dat Duitschland als vijand van het recht is voorgesteld. Een ijverig apostel voor deze opvatting hadden wij in een Noorschen professor, die zijn onvermoeide pen er toe leende Duitschland voor te stellen als tegenstander van een wereldrechtsorde, als wereldvredeverstoorder, als de landroover uit imperialistisch militarisme, als- drager van een politiek, die het evangelie der macht als geloofsbelijdenis en de onderwerping der zwakken als middel tot zaligmaking heeft. Dat „ingevolge het dogma der Duitsche oorlogsphilosofie het proces der statenvorming nooit zal kunnen worden voortgezet" (tot het de geheele wereld omvat), dat „op grond van den tegenstand van Duitschland de gedachte aan een internationaal scheidsgerecht bij de Haagsche conferentie van 1907 moest worden opgeheven, en dat daardoor de wereldoorlog werd voorbereid"... „Dat is, meen ik, een historische waarheid, die voor alle tijden zal vast staan", zegt de professor. En dat is een opvatting, die niet slechts bij enkele Duitsche oorlogsphilosofen en militairen zou voorkomen, maar volgens hem de richting van de Duitsche politiek zou bepalen 1).

4° Over de „historische waarheid" van den professor zij voorloopig opgemerkt, dat, wanneer de geschiedenis eens zal afrekenen met al de leugenachtigheid, die onder het masker van waarheid gedurende dezen oorlog politieke diensten heeft bewezen, ook de „waarheden' van dezen professor nog duidelijker aan den dag zullen komen.

Voorloopig willen wij eeriige onjuistheden in de uiteenzetting van den professor aanwijzen. Hij is namelijk een even groot vijand van de waarheid als van de centrale mogendheden. Ik vermeld het volgende feit- Duitschland verklaarde zich op de Haagsche conferentie van 1907 even onvoorwaardelijk als de overige mogendheden vóór het grondbeginsel: strijd moet beslist worden door gedwongen scheidsgegerecht. En de overige groote mogendheden handhaafden even onvoorwaardelijk als Duitschland, dat zekere vragen, die de eer van een staat

1) Vgl. „Tidens Tegn" 10 Augustus 1915 en elders.

Sluiten