Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen goederen uit te voeren onderwerpt aan het goeddunken van een Engelschen jurist.

Naast dezen wordt een Noorsch jurist aangesteld, wiens meening er echter in het geheel niets toe doet. Beslissend is alleen de meening van den Engelschen jurist. Deze geheele aanstelling van den Noorschen jurist als „bijzitter" is een poging om op de openbare meening den verkeerden indruk te maken, dat hier een soort scheidsgerecht bestaat. Deze schikking is in het Noorsche Storting gekenschetst als „schandalig", zonder dat dit tegenspraak uitlokte, en onze schepen gaan voort met hun oorlogsvaarten naar Engeland, ja, zij zijn ingegaan op de regeling, dat zij steeds een even groote tonnenmaat in de oorlogsvaart moeten houden als die, welke Engeland ons toestaat naar andere landen te zenden. Telkens, als onze schepen in den grond geboord en onze zeelieden met hen vergaan zijn, moeten wij weer nieuwe schepen en nieuwe zeelieden ter beschikking stellen. Dat is de prijs, dien wij er voor betalen moeten, dat onze andere schepen de zee in vreedzaam verkeer mogen bevaren. Wij moeten dien betalen aan den voorvechter van de vrijheid ter zee, van het „recht der kleine natiën", van de „menschelijkheid" en van de „zaak der beschaving", dus een soorf van hernieuwing van het tribuut aan de roofstaten. „Rule Britannia!". En duizenden Noorsche zeelieden worden in Engeland gehouden om gedwongen te worden ten oorlog te gaan. Op zulke wijze heeft onze regeering dus haar plicht vervuld om onze zeelieden te beschermen. Zij heeft niet kunnen verhinderen, dat 600 Noorsche zeelieden om het leven gekomen zijn.

5°. En nog meer: De vorige minister van buitenlandsche zaken van het Britsche rijk en zijn vertegenwoordiger alhier zijn in een openbaar stuk beschuldigd, hier in ons land te hebben beproefd een Noor in hun dienst te krijgen om iemand te vermoorden en een deugdelijk bewijs te hebben opgemaakt, volgens hetwelk zij £ 5000 zouden uitbetalen na het volbrengen van dé* daad. Schr. zelf heeft het document in handen gehad, en door nauwkeurig onderzoek is de echtheid ervan vastgesteld. Het gezantschapsrecht beschermt den betrokken gezant om voor een Noorsche rechtbank te worden gedaagd. Maar het internationale volkenrechtelijke gewoonterecht en fatsoen verlangt, dat de beschuldigde öf zijn onschuld kan bewijzen, öf dat hij, in het tegenovergestelde geval, zijn biezen pakt. Doet hij dit niet vrijwillig, dan heeft een vrij volk het recht dat te eischen. De vertegenwoordiger van een ander volk moet iemand van onberispelijken goeden naam zijn. De vertrouwenspersoon van een volk, die handelingen pleegt, welke onder het strafrecht vallen, heeft geen recht als vertegenwoordiger van zijn natie op te treden. Een vrij volk heeft echter het recht te verlangen, dat de mannen van eer, door wie het wordt vertegenwoordigd, niet behoeven om te gaan met lieden, die in conflict komen met het wetboek van strafrecht.

Het Noorsche publiek heeft niets gehoord van een weerlegging der zware beschuldiging, die een van de edelste idealisten van onzen tijd in het openbaar heeft ingebracht tegen den vertegenwoordiger van het Britsche rijk alhier. Nog minder is de geheele zaak voor het gerecht

Sluiten