Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid wordt dubbel groot, als men zijn eigen hoogere belangen daarmee op het spel zet en verzuimt weerstand te bieden. En deze verantwoordelijkheid wordt nog eens zoo groot, als men zich laat dwingen, omdat men de offers niet wil brengen, die de omstandigheden eischen.

Het andere middel ligt in een gemeenschappelijkeNoordsche buitenlandsche politiek.

Wanneer Noorwegen van het gevaar van den oorlog en van de slaafsche onderwerping gered wordt, beteekent dit de redding van het noorden. Wij moeten naar Canossa gaan, Engeland voor een voldongen feit stellen, dat uitgaat van de vereenigde staten van NoordEuropa. Wij moeten alle oorlogsverdragen opzeggen en alle eischen, die aan onze vloot en aan den uitvoer gesteld worden, afwijzen en onze eischen daartegenover stellen. Wij moeten ons onthouden van iederen stap, die ons afhankelijk zou kunnen maken van de een of andere mogendheid, waarmee wij niet gelijk staan, en eiken stap doen, die ons onafhankelijker kan maken. Wij moeten een Scandinavische volkenrechtelijke en economische politiek voeren. Wij moeten er mede rekening houden, dat het Engelsche economische despotisme na den oorlog er op uit zal zijn de onzijdige staten te laten terugbetalen, wat zij gedurende den oorlog te zijnen nadeele hebben verdiend. De wereldoorlog heeft ons getoond, dat wij in twee voorname punten van de buitenlandsche politiek onvoorbereid waren. Wij hadden haar doel niet begrepen en geloofden, dat alles goud was. Zelfs niet van de oerbron van alle waarde, de aarde, hadden wij paritij getrokken. Eerst nu ziet men de waarheid in van de waarschuwende woorden van Knut Hamsun: „Bebouw uw akker!" Wij hadden een weinig nationaalbewuste openbare meening, weinig beproefde krachten, én wij waren niet eendrachtig. Wij sloegen geen acht op handelingen, die ons van een grootere macht afhankelijk konden maken. Het was des te noodlottiger, dat wij onvoorbereid waren, omdat wij zeer goed voorbereide en wereldwijze politici tegenover ons hadden.

En wij waren de kleinen ; tegenover ons stonden de groote mogendheden. Maar het ergste was misschien dit: de pers is ook een groote mogendheid binnen de grenzen van' den kleinen staat. Het is geen geheim, dat men verschillendè van de meest beteekenende mannen op geestelijk gebied niet aan het woord wilde laten komen in de couranten der hoofdstad, waar de redacteurs voor de huitenlandsche aangelegenheden en de correspondenten het publiek in van te voren opgestelde en tendentieuse richtingen leidden. — Van oudsher was het voor een vrij man hier in het noorden een zaak van eer, open en eerlijk te kunnen spreken en ook zoo toegesproken te kunnen worden. Wat de groote mogendheden aangaat, schijnt het echter, dat dit recht hier te lande en daarbuiten voor vrije mannen vervallen is.

Het was daarom zeer verrassend de heftigheid te zien, waarmee de „vrijheid der pers" eenstemmig over het geheele land verdedigd werd tegen het Urby'sche voorstel. De „censuur", die door een groot gedeelte (?) der pets in ons land uitgeoefend wordt, heeft volstrekt niets te maken met het recht van het vrije woord, dat onze burgers hebben.

Sluiten