Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze vraag wordt in bevestigenden zin beantwoord door hen die meenen dat art. 11 al. 3 de legitimatie des Keizers beperkt: „de ratificatie bindt in het gestelde geval het Rijk niet."

von Mohl meent dat een zonder goedkeuring van den Rijksdag geratificeerd verdrag den Keizer Volkenrechtelijk niet bindt, wanneer later de Rgksdag zgne toestemming weigert. In dat geval is het verdrag staatsrechtelijk en volkenrechtelijk „ungültig" 1).

Nog sterker dan von' Mohl legt Meier er den nadruk op dat art. 11 al. 3 zoowel volkenrechtelijke als.staatsrechtelijke beteekenis heeft. In zgn werk „Ueber den Abschluss von Staatsvertragen" heeft hij getracht aan te toonen dat alleen in Engeland en de Vereenigde Staten van Amerika het systeem „scheiding van verdragsluitende macht en wetgevende macht" bestaat, en dat in de Staten van het vasteland van Europa die machten samenvallen, m. a. w. dat daar de volksvertegenwoordiging, door hare goedkeuring tot een verdrag te verleenen, mede ratificeert 2). Is Meiers betoog juist, dan kan het parlement door eene weigering het staatshoofd niet in moeilijkheden brengen. Meier drukt dit in de inleiding van zgn werk aldus uit: „Een conflict tusschën verdrag en wet kan niet voorkomen, daar verdrag en wet identiek zijn" 3).

In zgn „Gutachten über die Auslegung des Art. 48 der Verfassungs-Urkunde" (de Pruisische Grondwet) verkondigde Gneist de meening dat in de constitutioneele monarchie de Vorst alleen, dus zonder de goedkeuring van het parlement, bevoegd is verdragen te ratificeeren.

(Bedoeld Gutachten vindt men afgedrukt achter Meiers werk).

Von Rönne meent dat in het Duitsche Rijk alleen de Keizer bij de ratificatie den Staat vertegenwoordigt, en wil een door weigering van den Rijksdag na de ratificatie ontstaan conflict zien opgelost door ontbinding van het tractaat langs diplomatieken weg 4).

Laband staat eveneens op het standpunt dat de Keizer alleen tot de ratificatie gelegitimeerd is. Volgens dezen schrijver zou het niet zgn overeen te brengen met de waardigheid van den Keizer, zijnen Minister en het Rijk, als de Keizer verdragen sloot die hij niet kan uitvoeren. Het is daarom volgens Laband 's Keizers „verfassungsmassige Rechts pflicht" om een verdrag, dat onder een van ■ de in art. 4 genoemde categorieën valt, niet te ratificeeren

1) v. Mohl, pag. 304 noot.

2) Meier, pag. 281, 103—114. Kritiek op Meiers stelling bij Laband, pag. 123 noot; cf. Bange, pag. 27.

3) Daarmede is niet gezegd dat theoretisch geen onderscheiding moet worden gemaakt tusschen de handeling waardoor de staat zich bindt tegenover een anderen staat, en de handeling waardoor de staat aan de burgers verplichtingen oplegt. Immers Meier onderscheidt volkenrecht en staatsrecht. Cf. Triepel, pag. 124.

4) v. Rönne, pag. 299/300.

Sluiten