Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het voortdurend samen zijn van jongens en meisjes met den daaruit voortkomenden nivelleerenden invloed, niet kan nalaten verkeerde gevolgen op de karakterontwikkeling en op de studie te voorschijn te roepen. Meer lettend op het stoffelijk, dus beperkte doel van het onderwijs, weet ieder, die wel eens jongens en meisjes samen in een klas heeft gehad, dat dit samengaan zeer dikwijls op de vorderingen remmend werkt.

Met het voorafgaande wordt gezegd, dat de lagere school slechts moet zijn een inrichting, waar de jonge kinderen leeren waarnemen, veel hooren en veel zien en vooral veel doen. Alles wat mogelijk is om de levendigheid van dit onderwijs te bevorderen, wordt aangewend. De bioscoop, reisjes, voordrachten van iemand, „die er geweest is", lezen ook van heele reishalen, dat en meer kan worden te hulp geroepen. Maar de lagere school onthoude zich in hoofdzaak van ordenen der indrukken en van het schematiseeren en systematiseeren der leerstof. Dit na te laten, kweekt heusch geen wanbegrippen en doet evenmin iets af aan de degelijkheid der verworven kennis. Wanneer dat zoo was, kwam er van geen mensch wat terecht, want dan was onze kennis op ons zesde jaar, al hadden we niets geen onderwijs gehad, reeds zoo hopeloos verward en zoo bijzonder on-degeüjk, dat er geen redderen meer aan was. Wel zullen we om het doen te vergemakkelijken onder meer allerlei „foefjes" moeten verzinnen. Die doet het onderwijs zelf wel aan de hand en het totaal aan foefjes en ezelsbruggetjes, waarover een onderwijzer der L. S. beschikt, zal voor een zeer groot deel zijne waarde bepalen. Met opzet 'kiezen we 't eenigszins hatelijke woord „foefjes". Die te gebruiken heet een aanslag op de wetenschappelijkheid van 't onderwijs. Daarover moeten we ons maar niet te ongerust maken en het zou wel eens aardig zijn na te gaan hoe gelukkig de meesten der zoo sprekenden zijn als ze zelf een of ander foefje kunnen toepassen. Het kind is nog te onverdorven om bezwaar te maken tegen welk kunstje dan ook, als het hem maar brengt waar hij wezen wil en hij ervaren heeft, dat het klopt. Is het niet een kapitale fout van ons onderwijs in het algemeen en van het lager in het bizonder, dat we leeren vragen naar de redelijkheid van alles en nog wat, lang dikwijls vóór die vragen in het kind zelf wakker worden? Het kind is geen redelijk

Sluiten