Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Nederlandsche vakbeweging ontbeert het eerste en machtigste kenmerk van eene krachtige beweging, dat der eenheid.

Er heerscht eene wanhopige versnippering in het heir der werklieden. De groepeering van de verschillende verbonden toont een zelfde tendens als de geheele tijdstroóming op religieus en politiek gebied — eene splitsing in sekten.

De sociaal-politieke bewegingen hadden op de arbeidersbevolking in de eerste helft van de 19e eeuw-bijna geen invloed uitgeoefend. Gedurende het jaar 1848 had ze zich niet geroerd. Toen tegen 1870 zich het eerste schuchtere begin van een vereenigingsleven vertoonde, gingen de pohtieke gebeurtenissen aan haar voorbij. De Internationale gleed als een schaduw langs haar heen. Bij haar optreden in Nederland werd van een klassenstrijd zelfs niet gesproken. Na het congres van 1872 gingen de kleine vakverbonden, die ze opgericht had, te gronde. Er werden na 1870 langzamerhand vakvereenigingen opgericht, doch het vereenigingsleven was patriarchaal, werknemer en werkgever hadden samen zitting in het bestuur. Loonsverhoogingen werden vlug ingewilligd, daar de werkgever zelf de toenmalige gemiddelde loonen abnormaal laag achtte. De groeiende liberale richting, die in hooge mate den arbeiders goedgezind was, kwam met talrijke voorstellen over coöperatie, woningverbeteringen, voorschotbanken. De „heeren" overheerschten en drukten hun stempel op de geheele onzelfstandige beweging. Revolutionnaire tendenzen waren buitengesloten. De beweging kwam niet voort uit de groot-industrie en vond tot op heden daar ook weinig ingang. Van eene massabeweging was geen sprake. Kleinere groepen van losse werklieden stonden tegenover een aantal kleine bazen. Het vooruitzicht dat ook zelf eens te worden, gaf aan de beweging dien conservatieven, voorzichtigen karaktertrek, waardoor zij zich kenmerkte. Ze was krachteloos, van hooger hand begonnen en geleid. Haar geschiedenis is die van enkele personen, niet die der arbeidersklasse. Daarom leidde niet de economische toestand van een beroep tot vorming van eene vereeniging, maar wel de toevallige aanwezigheid van een krachtige persoorihjkheidJ).

De typographen waren, evenals in Duitschland, het eerst en het best georganiseerd en in een nationaal verbond vereenigd.

*) D.Hüdig, De Vakbeweging in Nederland r866—1878.

De liberale richting.

Sluiten