Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

monium" (1876) geleid. Daarmede deed de confessioneele richting in deze beweging haar intrede. Ze wilde de arbeiders vereenigen ter propageering der „christelijke" grondslagen van de maatschappij, tot oprichting van volksbibliotheken, ambachtsonderwijs, ondersteuningskassen, bevordering der Zondagsrust, enz. Ze was in haar zienswijze calvinistisch. In 1901 stichtte zij het „Christelijk Arbeidssecretariaat", waarin de vele verspreide christelijke vakvereenigingen vereenigd werden. Het resultaat is niet van veel beteekenis geweest. „Patrimonium" was hoofdzakelijk eene arbeidersvereeniging; de wensch om vakvereenigingen te vormen kwam eerst later uit de leden zelf naar voren. Eenige groei viel wel te bespeuren. Zij bleef echter bescheiden van .afmeting1).

Behalve deze stroomingen werd het hoofddoel: de loonsverhooging, door de arbeiders sterker naar voren gebracht, ofschoon nog steeds geen strijdkassen gevormd werden. Een weinig politieke belangstelling ontwaakte, vooral voor het algemeen kiesrecht.

In het jaar 1878 stichtte een kleine groep de sociaal-democratische partij. Ze sloot zich aan bij het programma van Gotha. Aanvankelijk nog zwak, kreeg ze door de leiding van den Lutherschen predikant Domela Nieuwenhuis grootere kracht. Revolutionnaire tendenzen doken op, werden steeds sterker; tegenover de slappe richting van het „Werklieden Verbond" en de religieuze van „Patrimonium" won de partij aan beteekenis. Loonacties werden steeds talrijker, al werden zij ook dikwijls onsystematisch en zonder succes gevoerd.

Ook in de Nederlandsche sociaal-democratische partij deed het parlementarisme zijn intocht. Domela Nieuwenhuis werd tegen zijn wensch tot Üd van de Tweede Kamer gekozen, verloor in 1891 zijn mandaat. Eerst in 1897 kwam de tweede socialist in de Volksvertegenwoordiging — in 1912 waren er zeven, weldra verdubbelde hun aantal. In omvang en diepte won de partij snel aan kracht.

Het in haar midden steeds sterker groeiende anarchisme leidde tot heftigen strijd in de partij, tot in 1894 de scheiding volgde en de Marxistische partij werd gevormd, die verschillende be-

De sociaal-de'

mocratische

richting.

*) 11.800 leden in 1917.

Sluiten