Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dunnen zij de suikerbieten, Juni en Juli maaien ze, van Augustus tot October werken ze bij den graanbouw, bij den aardappeloogst, enz. Ze trekken dan langzamerhand weer weg tot het voorjaar *). In tijden van hoogst en nood aan arbeidskrachten bij de bloembollencultuur, in de tuinderijen, enz., helpen de perceelbezitters zooveel mogelijk mee in de groote bedrijven, al naarmate hun toestand een aanvullend inkomen noodig maakt, ze doen het echter bij voorkeur niet.

In den herfst echter begint voor een deel der losse of gewoonlijk rondtrekkende werkkrachten het zoeken naar werk in de steden — men mag aannemen, dat hun aantal in Noord- en ZuidHolland tegenwoordig niet overmatig groot is en de landarbeider zich toch bij voorkeur alleen met landarbeid bezig houdt. Bij stijgende welvaart zal dit mogelijk zijn; indien echter in de komende jaren eene depressie ontstaat zal de stad den terugslag door groote immigratie ondervinden. Tegenwoordig trekken de verschillende verspreid liggende fabrieken van suiker, papier, boter, koek, gecondenseerde melk, conserven, enz. *) de losse arbeiders tot zich — maar ook trekken dezen naar Amsterdam en Haarlem om daar bij gasfabrieken, bij den transport-, haven- of grondarbeid hun werkjaar vol te maken.

Hoe de verschillende losse werklieden, zoowel van landelijke als van stedelijke herkomst, bijwerk zoeken, in welken omvang daaraan deel genomen wordt — is alles slechts zeer onnauwkeurig vast te stellen. Het feit bestaat, maar is nooit nader onderzocht. Het vormt evenwel voor de armenzorg van een groote stad een der vele factoren, waarmede ze rekening heeft te houden. De werklooze periode, tusschen twee losse karweien in, verteert dikwijls het geheele overgespaarde inkomen— een terugslag begint en spoedig moet de hulp van de armenzorg ingeroepen worden. Het is een bekend feit, dat de werkman, die zich tot een ondereteuningsvereeniging gewend heeft, bijna nooit een beroep opgeeft, maar zichzelf, om zijn benarden toestand goed duidelijk te maken, steeds los werkman noemt.

In het geheele land zijn die twee factoren waar te nemen —

*) Algemeen overzicht van den oeconomischen toestand der Landarbeiders in Nederland, p. 15 v.v. Staatscommissie voor den landbouw 1908.

*) Verslagen betreffende den oeconomischen toestand der landarbeiders in Nederland A II, p. 82. Staatscommissie voor den Landbouw.

Sluiten