Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De recidive.

Wat den ouderdom betreft bewijst de statistiek van 1913, dat ongeveer de helft der veroordeelden den leeftijd van 20—50 jaar bereikt hadden, de andere helft over de 50 jaar oud waren.

Van de ontslagenen in hetzelfde jaar — 837 mannen en 25 vrouwen — had een zevende deel eene vermoedelijke bestaanszekerheid. Het overige zes zevende deel stond weder daar in de maatschappij, waar zij begonnen waren. Alleen hunne spaarpenningen stonden nog tusschen het ontslag en eene hernieuwde bedelarij. Van de recidivisten in de Rijkswerkinrichtingen waren in één jaar dientengevolge eens 49.18 % binnen drie maanden na hun ontslag reeds weder veroordeeld, 13.57 % binnen 3—6maanden na hun ontslag1).

Het aantal der recidivisten, gemiddeld drie vierde der opgezondenen, toont aan, dat een groep van stamgasten voortdurend de kolonie bevolkt *), één keerde zelfs een 19de maal terug *).

Diegenen, die voor de eerste maal opgenomen werden, kwamen voor het grootste deel uit de stad, een kleiner aantal van het land, een hoogst belangrijke bijzonderheid voor de kennis van het vraagstuk.

Van de 3.110 personen, in 1906 aanwezig, waren 771 niet tot arbeid geschikt, waarvan 597 boven de 60 jaar oud waren. Een vijfde deel der verpleegden vormde dus een contingent, dat in een mannenasyl en niet in een werkinrichting opgenomen had moeten worden *).

Eene vergelijking van de recidive in de crimineele statistiek') toont aan, dat tegenover eene gemiddelde recidive van 40—50 % bij diefstal, verduistering, hchamelijk letsel met doodelijken afloop, enz., enz., de bedelarij en landlooperij met 80—90 % daar tegenover staat. Daarmee is bewezen, dat Veenhuizen als middel om de zelfstandigheid der gestraften en de bekwaamheid om

') Het jaar 1908. De verhouding wordt voor latere jaren iets beter, blijft echter, bedenkelijk.

*) Vergelijk nevenstaande tabel, sedert dien niet meer zoo uitvoerig gepubliceerd.

3) In 1906. De latere tabellen laten zulke nauwkeurige splitsingen niet meer toe.

*) Voor latere jaren zijn de opgaven niet zoo gespecificeerd te geven. In het gehalte kwam echter geen verandering, de verhouding bleef ook dus vermoedelijk dezelfde.

De Synode der Ned. Herv. Kerk, Augustus X9X1, werd door eene mededeeling uit haar midden opmerkzaam gemaakt op het feit, dat zich op dat oogenblik 294 Ned. Hervormden, die boven de 60 jaar oud waren, in de Regeeringsgestichten bevonden, die niet door de diakonieen opgenomen werden en wel op grond van het onvoldoende aantal woonjarenl Men wenschte toch hunne opname in een mannenasyl.

*) Bijdragen Crimineele Statistiek X908. Tabel 57. Idem 1913.

Sluiten