Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zouden treden. Het bestaan van de stichting moet, wanneer haar afzonderlijk bestaan vernietigd wordt, tot haar bron terugkeeren. Er is in de stichting geen actief lidmaatschap der verbondenen, maar er zijn alleen dragers van den oorspronkelijken enkelvoudigen wil, welke de actieve zijde van het kerkbegrip uitoefenen. Van dezen éénen wil uit, hetzij deze in een persoon of in een gemeenschap van personen geconcentreerd is, welke tegenover de buitenwereld als eene eenheid staat, wordt het organisme van de stichting ook in stand gehouden en voortgezet. Een recht van allen op medebepaling van het verbondsleven om daardoor de eenheid der corporatie tot uitdrukking te brengen is in het zuivere stichtingsbegrip derhalve uitgesloten. De kerk is dus eene instelling, welker verhouding tot hare leden te beschouwen is, als eene tot gesubordineerde subjecten. Ze dient als corporatie de belangen van de leden, maar door eene eenzijdige wüsverldaring.

Dit stichtingsbegrip is in de oudste christenheid niet zoo ontwikkeld geweest. Het trad pas als tweede verschijnsel op, nadat het gemeenschapsbegrip tegenover haar op den achtergrond getreden was1).

Dit begrip, dat eerst op de innerlijke, geestelijke zijde van het religieuze gemeenteleven gericht was, verkreeg eene dubbele beteekenis toen het op de uiterlijke verbondsorganisatie, op de zichtbare kerk toegepast werd, welke toen met de aanspraak op een eigen machtssfeer in de aardsche verhoudingen optrad, en als Katholieke kerk hare geweldige wereldhjke ontplooiing beleefde.

Bij de groote Hervorming hadden de nieuwe kerken aan de zelfbestemming van het volk haar eerste overwinning te danken en streefden dientengevolge naar den vereenigings- en niet naar den stichtingsvorm. Ook Luther wilde in den aanvang het zwaartepunt van de kerk wederom in de gemeente verleggen; hij leerde, dat de gemeenten het recht hadden leeraren te beroepen en af te zetten.

De historische gebeurtenissen brachten hierin eene aanmerke-

*) Zie Gierke, Das Christentum und der antike Verbandsbegriff von der Genossenschaft, III. De christelijke theologie vatte de kerk op als een levend organisme. In de Heilige Schrift wordt de gemeenschap der geloovigen als het eenige lichaam van Christus en Christus als het hoofd van dit lichaam aangeduid. De kerk vormde dit „corpus mysticum christi" en de verhouding van het geheel tot zijne deelen en van de deelen onder elkaar, werd als een verhouding van volkomen wederkeerigheid gedacht. (Uit de Brieven van Paulus.)

Sluiten