Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en blijft verder van kracht, zoolang de werkelijke macht over volvoering en voleinding van de opdracht kan gehandhaafd blijven. Ontbreekt deze dan vormt zich een eigen nieuw heerschersrecht. Hoe verder de bron, des te duidelijker wordt de zelfstandigheid van den plaatsvervanger merkbaar. Evenzoo is een zichzelfstandig-maken van afhankelijke kringen binnen het heerschersverbond te duchten, zoodra de heerschersmacht afneemt*). Ten tweede is het gevolg van de sterfelijkheid van de dragers van de heerschersmacht, dat de continuïteit daardoor in gevaar komt. Ter voorkoming daarvan heeft men zijn toevlucht genomen tot de erfelijkheid als een machtsmiddel om ontbinding te voorkomen.

In geval van een veelvertakt heerschershchaam — hetzij dat geheel is losgemaakt van den oorspronkelijken wil, hetzij slechts in een los verband daarmee staat, — wordt ter vervanging van het erfrecht de eigenaanvulling toegepast. Op dezen weg houdt het gezag zich staande, kan zich eeuwen handhaven zonder dat een storend element intreedt of de ontbinding van het verbond door het optreden van eene nieuwe heerschersmacht gevolgd wordt *).

Wat de armenzorg in de Luthersche kerk betreft: ze is voor de lutheranen een noodzakelijk uiting van het christelijk leven; een decreet, wie haar moest uitoefenen, de wereldlijke overheid of een kerkelijk orgaan, bestond niet —dit was alleen een vraag van doelmatigheid "). Ook de kerkelijke armenzorg was hen een historisch feit. Voor den lutheraan is de benoeming van diakenen een regeling, die hij zoo mogelijk met inachtneming der tegenwoordige omstandigheden tracht te verwezenlijken, maar waaraan hij zich niet gebonden acht. In de Beutel-Ordonnanz van Wittenberg van 1521 (door Luther zelf uitgevaardigd)4) en in de verordening van de stad Wittenberg werd de armenzorg aan het christelijke stadsbestuur opgedragen. •

Eene christelijke overheid heeft zich alleen reeds uit eenvou-

') Zie voor deze overgangen, de talrijke voorbeelden bij Gierke II, Genossenschaft und Gesamtrecht.

2) Zie o.a. Gierke II, Die Rechtssubjektiviteit der Herren und Gesamtheiten.

3) G. Uhlhorn, Die Christliche Armenpflege IV, p. 145.

*) H. Barge, Andreas Bodenstein von Karlstatt 1905: De beschouwingen over de Wittenberger Beutelordonnanz daarin uiteengezet vinden geen onverdeelde instemming wat hunne juistheid betreft.

Sluiten