Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERREIN DOOR DE KERKELIJKE ARMENZORG VERLATEN.

De rente ging in op 9 Dec. 1913. Zooals te verwachten viel, genoot een vrij groot aantal ondersteunden van de ruim honderdduizend ouden van dagen *), die voor rente in aanmerking kwamen, weldra de wekelijksche toelage van f 2.

Van eene vermindering der uitgaven voor het armwezen is echter geen sprake *).

Te Amsterdam») waren, na eene vierjarige werking van de wet, verschillende uitwerkingen duidelijk merkbaar.

De Hofjes-bewoners, die vrijwel altijd een klein eigen-inkomen moeten kunnen waarborgen, genoten persoonlijk de rente, de besturen heten daarop geen rechten gelden. Het aantal aspiranten echter steeg zeer sterk na de toekenning dezer vaste Rijkstoelage.

In de Oude-Mannen-en-Vrouwenhuizen echter zfjn de inwoners volslagen behoeftig —1 hier zou de rente overgenomen mogen worden door het gestichtsbestuur.

De inwoners bleven bijna zonder uitzondering in de gestichten,terwijl hun veelal de beschikking over f 0.75 van hunne rente gegeven werd, terwijl het overige te hunnen bate werd aangewend — bijna algemeen ter lotsverbetering.

Eene vermindering noch van onkosten, (de tekorten waren steeds vrij groot, de huishouding te zuinig) noch van behoeftigen viel te bespeuren.

De bedeelende instellingen ondervonden evenmin eene verrnindering van lasten, hoogstens eene onbeteekenende veirmindering van het tekort op hun zwaar belast budget.

Dit geldt voornamelijk voor de kerkelijke en particuliere liefdadigheid. De Burgerlijke Armenzorg profiteerde eenigermate van de rente; geringe ondersteuningen konden ingetrokken worden.

De ouden van dagen genieten een lichtelijk verbeterde levenswijs. Eene vermmdering van de armenlasten valt echter niet te constateeren. De lasten zijn te zwaar, ze blijven te zwaar.

Eene terreinverschm'ving zou echter kunnen uitgaan van de zijde der armen zelf.

De particuliere verzekeringen.

*) Verslag over de verrichtingen aangaande het Armbestuur over 1913, p. 56, gepubl. 1915. Resultaten te 's-Gravenhage, p. 56: 2/3 van het aantal bedeelden, 1/2 van het aantal verpleegden, waarover opgaven ontvangen werden, ontvingen de rente.

*) Gemeentelijke publicaties. Het Rijksverslag over 1914, in 1916 gepubliceerd, is het laatste tot begin 1918.

) Jaarverslag van den Armenraad te Amsterdam over 1916, p. 61.

Sluiten