Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genomen. Nu vertoont zich integendeel juist hun ongunstige oeconomische toestand.

Eenzelfde oeconomisch zwakke toestand wordt in het buitenland aangetroffen, waar de vermenging der godsdiensten overeenkomt met die van Nederland en ook de politieke omstandigheden geen wezenlijk onderscheid aantoonenl). Zoo blijkt bv. in het Groot-Hertogdom Baden, dat de katholieken relatief sterk vertegenwoordigd zijn onder de arbeiders, waarvan de geschooldheid het gebrekkigst is; dientengevolge vindt men ze het meest onder de slecht betaalde, in verhouding laagst staande arbeiders van de verschillende takken van nijverheid, terwijl de Protestanten bij de best geschoolde en goed betaalde arbeiders te vinden zijn. De zelfstandige arbeiders zijn ook overwegend Protestant. Bij de hoogere beambten, industriëelen etc, is het percentage der kathoheken meestal geringer dan het hun toekomend deel; hoe hooger het beroep staat, des te kleiner wordt het percentage der kathoheken. De vermogensverschillen zijn aanzienlijk, wat tot op zekere hoogte, als het onmiddellijk gevolg van de geloofsbelijdenis, waartoe deze behooren, beschouwd wordt. De dure Katholieke eeredienst, de groote contributies aan de kloosters enz., geven in alle landen dezelfde ongunstige voorwaarde voor het vormen van particulier vermogen. Toch is ook in Baden de oorzaak van de oeconomisch zoo verschillende toestanden niet aan uitwendige omstandigheden toe te schrijven.

De zoo sterk afwijkende toestand der kathoheken aldaar, welke voor het geheele bedrijfsleven kon werden aangetoond, is aan een diepere oorzaak te wijten. Veranderingen kunnen hier zoo snel intreden, dat, onder gelijke oeconomische voorwaarden, een volslagen oeconomische verschuiving binnen de godsdienstgroepen mogelijk is *).

') Eene uitvoerige bewerking van de Badenscb'e statistieken (1900) toont dit aan. Konfession und soziale schichtung. Dr. M. Offenbacher, Volkswirtschaftliche Abhandlungen der Badischen Hochschulen. Deel IV, je stuk.

■) Offenbacher toont bv. aan, dat de Katholieke scholieren op de gymnasia naar verhouding veel te talrijk zijn, terwijl zij op het „Realgymnasium" in het oogvallend zwak vertegenwoordigd zijn. Waar de oeconomische draagkracht van de ouders in de beide groepen ongeveer gelijk is, kan van een oeconomischen dwang bij deze keus geen sprake zijn. Het eindresultaat is echter, dat een in het oogvallend geringe deelname van de katholieken aan het bedrijfsleven daarvan het gevolg is, dus een even kleine mogelijkheid tot verheffing van den oeconomischen toestand, terwijl van het groote percentage gymnasiasten meer dan 4a % zich aan de theologie wijdde, dus voor het bedrijfsleven verloren ging en van het totale aantal scholieren de algemeene

Sluiten