Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tatiewinst op de lijnen S. V. en Solo—Madioen zou een bedrag van ƒ 250.000 8) aan de Maatschappij komen, de rest zou de Staat ontvangen als restitutie van de in het exploitatiejaar voorgeschoten rentegarantie ad ƒ 1.015.000.—

Nog zou de Maatschappij haar spoor op de lijn S. V. versmallen, waarvan de kosten voor de helft doch tot een maximum van 1 millioen gulden ten laste van den Staat zouden komen en de rest bestreden zou worden uit het vernieuwingsfonds. Voorts zou de Maatschappij concessie erlangen van een spoorweg van Djokja via Keboemen over het Serajoegebergte naar Bandjerhegara—Banjoemas en Djatilawang naar Tjilatjap. De kosten van deze verbinding werden op ƒ 26.000.000 geschat, te verkrijgen uit een aandeeleoikapitaal iran ƒ 6.000.000.— en een obligatieleening van ƒ 20.000.000.—.

Het te verkrijgen geld zou, naar gelang het verkregen werd, bij den Amsterdamschen agent van het Ministerie van Financiën gestort worden. Voor dit gestorte bedrag zou de Staat bij wijze van voorschot 5 % als rentegaraintie betalen, het maximum zou dus zijn ƒ 1.300.000. Voor het geval de aanleg meer dan ƒ 26.000.000 zou kosten en de N. I. S. M. dus een grooter bedrag zou moeten leenen, zou het meerdere voor rente- en aflossing te betalen bedrag,, echter tot een maximum van ƒ 225.000 ten laste vat» de exploitatierekening gebracht mogen worden. Van de gedeponeerde gelden zou de Maatschappij dadelijk ƒ 5Ö0.000.— voor de uitgaven ontvangen, het verdere bij bedragen van ƒ 300.000.— zoodra zij dat geld noodig zou mogen hebben. De rente van het bij den agent berustende kapitaal zou in mindering komen van de door den Staat wegens rentegarantie gedane voorschotten. Zoodra het dividend der aandeelhouders boveln 5 % zou stijgen, zou van het meerdere 4|5 aan den Staat afgedragen worden in mindering van de schuld door de betaling der rentegarantie ontstaan. Indien die schuld geheel zou zijn gedelgd zou 1|4 van de winst welke na betaling van 5 % over het aandeelenkapitaal over zou blijven aan den Staat vervallen.

2) Dit bedrag van ƒ 250.000 moest tot vergoeding strekken van: a. de winsten op de lijn Buitenzorg—Batavia, welke de Maatschappij prijs gaf en waardoor de inkomsten der Maatschappij daalden; immers zouden die winsten meer bedragen dan 5 % van ƒ 5.000.000 of ƒ 250.000 en steeds grooter worden, waartegen de nieuwe lijnen geen voldoende compensatie gaven; 6. van de winsten op de lijn Samarang—Vorstenlanden, welke door de toevoeging van het nieuwe net stellig zouden dalen.

Het bedrag was waarschijnlijk verkregen als resultaat eener berekening van hetgeen noodig was om aan de aandeelhouders de inkomsten te laten behouden, waarop zij bij bestendiging van den bestaanden toestand het vooruitzicht hadden.

In Indië zag men in het brengen van het meerdere aan rente en aflossing tot een bedrag van ƒ 125.000 en van de vergoeding van ƒ 250.000.— een vermomde — schoon opzichzelf niet onbillijk geachte — verhooging der rentegarantie van ƒ 1.015.000 tot ƒ 1.265.000.—

Sluiten