Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Men heeft uit eene zinsnede der Memorie van Toelichting meenen „te moeten opmaken, dat de Minister het wil doen voorkomen, alsof met „het aannemen der voorgestelde begrooting au fond niets zou worden „gepraejudicieerd. Zoodanige opvatting kan alleen uit misverstand voortvloeien. Zoo duidelijk mogelijk is door den ondergeteekende in de be„grooting en in de Memorie van Toelichting het beginsel voorgedragen „dat de interesten en onkosten der leening, in welken vorm die ook wordt „aangegaan, ten laste van Indië worden gebragt. Hoe men in de toelichting de voorspiegeling heeft kunnen vinden dat de Kamer over dit punt „nog nader zou hebben te beslissen, is hem volkomen onverklaarbaar. „De aangehaalde zinsneden worden toch geheel beheerscht door den aanhef „der 1ste alinea van bladz. 7: „„Het spreekt van zelf dat in deze begrooting „„de zaak niet anders dan in beginsel kan worden beslist"", en aan de „dekking der interesten en kosten der leening zijn de §§ 5 en 6 der „Memorie gewijd, die toch onmogelijk grond voor twijfel kunnen opleveren.

„In eene der afdeelingen vond het geen goedkeuring dat de ondergeteekende de mogelijkheid onderstelde van het sluiten der leening tegen >AVz percent rente, terwijl de Nederlandsche 4 percents Staatsfondsen „boven pari worden verhandeld. Bij lezing van hetgeen over die rente in „de §§ 5 en 6 der Memorie wordt gezegd, zal deze bedenking wel vervallen. „Waar men zich tot taak stelt aan te toonen dat de interesten eener „lëening zonder bezwaar zullen kunnen worden voldaan, dient het verwijt „te worden ontgaan dat de lasten te ligt worden geteld. Er werd dus „melding gemaakt van een rente van 4y2 percent, maar uitdrukkelijk „werd daarbij gevoegd, dat zulk eene rente zeer zeker te hoog is gesteld.

„§ 5. Wanneer de voornemens omtrent den aanleg van spoorwegen „op Java niet bij de begrootingsontwerpen onder cijfers gebragt waren, „zou men geen duidelijke voorstelling verkregen hebben van den finan„tielen toestand en van het finantiele plan der Regering in zijn geheel. „Dit is de eenige reden geweest, waarom geen afzonderlijk wetsontwerp „is ingediend voor de regeling der spoorwegaangelegenheden. Het verband „tusschen de begrootingsontwerpen, zoo als zij werden ingerigt, en het „wetsontwerp betreffende de bekrachtiging der nieuwe overeenkomsten „met de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij is natuurlijk dezerzijds niet over 't hoofd gezien. Maar er werd op gerekend, dat de Kamer, „reeds sinds het begin van Augustus in 't bezit van laatstgenoemd wetsontwerp, dit te gelijk met de begrooting zou willen behandelen. Was dit „zoo onredelijk? Was er niet veeleer grond om te verwachten dat de „Kamer, met het oog op den naauwen zamenhang der verschillende „Regeringsvoorstellen, uit een finantieel oogpunt, zou verlangen, die „voorstellen in hun geheel behoorlijk te kunnen overzien bn* de begrooting, „en ze te zamen, in hun onderling verband, te kunnen behandelen?

„Tegen de handelwijze, die dezerzijds is gevolgd, bestond te minder „bezwaar, dewijl de Regering altijd de gelegenheid behield om de begroo-

Sluiten