Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ken onvermijdelijk: men denke aan den bouw van gevangenissen, aan den „aanleg van vaste kampementen voor het leger, enz. „Het gevolg van deze wijzigingen is, dat ...."

„De bestaande bezwaren zullen intusschen verminderen wanneer het „denkbeeld mogt worden aangenomen om tot bestrijding van de uitgaven „voor spoorwegen en voor de havenwerken te Batavia eene leenihg te „sluiten, waarvan de renten en aflossing ten laste der Indische geldmiddelen zullen moeten worden gebragt. Dit denkbeeld staat echter in naauw „verband met de voornemens der Regering ten aanzien van 's Rijks financiën in 't algemeen, en zal, bn* de behandeling van het wetsontwerp in „den aanvang dezer nota bedoeld, nader te bespreken zijn. De behandeling van de Indische begrooting kan daarop niet wachten".

Bij de behandeling der Indische Begrooting voor 1878 kwam de aanleg van spoorwegen voor rekening van den Staat niet meer ter sprake, 6) wel echter biï' de behandeling van het afzonderlijk wetsvoorstel tot verhooging van de begrooting voor 1878, waarvan in de toelichting op de Nota van wijziging sprake was (zie hiervoor) en welke 2 Maart 1878 werd ingediend (bijlage VII).

In dit ontwerp (Gedr. Stuk 1877—78. II. 131 No. 2) werd ƒ 600.000 en 2.100.000 in totaal 2.700.000 aangevraagd voor den aanleg van nieuwe spoorverbindingen De Memorie van Toelichting (No. 3) is bij bijlage VII afgedrukt, hiernaar worde verwezen.

Het Voorloopig Verslag (Gedr. Stuk 1877—78. II. 131 No. 4) getuigde van veel tegenstand. Voor zoover daarin de spoorwegen behandeling vonden is het afgedrukt als Bijlage VIII.

De Minister van Koloniën antwoordde (Gedr. stuk 1877—78. II 131 No. 5) daarbij een nota van wijzigingen overleggende (zie Bijlage IX).

Aangezien het wetsvoorstel den 14 Mei 1878 in de Tweede en den 3den Juli 1878 in de Eerste Kamer werd aangenomen, resp. met 56 tegen 23 stemmen en 24 tegen 9 stemmen, verscheen de wet den 6 Juli 1878 in het Staatsblad No. 93 (Ind. Staatsblad 1878 No. 201).

Hierbij zij opgemerkt dat het wetsvoorstel in de Eerste Kamer weinig verzet ontmoet had. De Commissie van Ropporteurs had slechts het volgende opgemerkt:

„I. Bij de overweging in de af deelingen der Kamer van dit wetsontwerp, bleek het dat men vrij algemeen overtuigd was van het belang, „dat er voor de bevordering van den volkswelvaart op Java, welks productiviteit in zoo naauw verband staat tot belangen van Nederland,

6) Zie voor de algemeene politieke constellatie in verband met de begropting voor 1878: Mr. W. J. van Weideren baron Rengers: Schets eener parlementaire geschiedenis vclyi NcdcTlo/ïid) deel II bl, 163 en volgende

Sluiten