Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nu is het regtens waar, Mijne Heeren — want wij staan hier niet alleen op het gebied van billijkheid en loyauteit, maar ook op dat van het regt — dat de Maatschappij tot de Regering zou kunnen zeggen: gu' zelve maakt, op indirecte wijze, de vervulling der voorwaarde onmogelijk. Gij brengt bij de Kamer voorstellen in, waarmede gij mijne concessie traverseert en Iaat alzoo vooraf behandelen voorstellen, die de dood zijn van hetgeen gij met mij zyt overeengekomen.

Wat zal de Regering antwoorden als de maatschappij tot haar komt en zegt: alleen door uw toedoen en dat van de Kamer, die u gevolgd heeft, is de vervulling dier voorwaarde verijdeld. Hebt gij geen kennis aan een artikel van het Burgerlijk Wetboek, dat zegt: „„de voorwaarde wordt „gehouden voor vervuld, indien de schuldenaar — dat is hier de Staat der „Nederlanden, vertegenwoordigd door de Regering — die zich onder dezelve verbonden heeft, de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd"" ?

Dit is een regel van het regt dien gij in de Pandecten terugvindt:

„„Quicumque sub conditione obligatus, curaverit ne conditio existeret""

hn' die bijv. met een ander hebbende gecontracteerd, andere maatregelen neemt die het contract indirect verijdelen en het tot stand komen daarvan in den weg staan — „„nihiïominus obligatur"" D. I. 85 § 7. de V. O.

Dit zijn mogelijke beweringen, die ik niet aanneem nog als aanstaande, veel min als gegrond, maar die de aandacht van eene voorzigtige vergadering ruimschoots verdienen.

Ik beweer niet, dat de maatschappij het regt zou hebben in regten die schadevergoeding te eischen, maar ik meen, dat, als er zulke drangredenen bestaan op het billijkheidsterrein, op dat der loyauteitsbeginselen en er op dergelijke bepaling van het regt kan gewezen worden, het zaak is geene stappen te zetten op een weg, dien ik voor de toekomst hoogst bedenkelijk zou achten.

Zeker is het dat, afgescheiden van dat alles, door aanneming van hetgeen hier is voorgesteld, aan de de Indische Spoorwegmaatschappij een gravamen, een bezwaar zal worden toegebragt, dat van eene Nederlandsche Regering en van eene Nederlandsche Vertegenwoordiging niet moet uitgaan, niet mag verwacht worden.

Maar er is meer.

Ik heb nog eene andere reden, en wel deze: De zaak, het groote belang van de spoorwegen op Java, laat zich op deze wijze niet behoorlijk, niet rigtig beoordeelen.

De zaak wordt op die wijze uit haar verband gerukt; wij staan hier niet op vrij en onbelemmerd terrein, en zijn buiten staat, op die wijze, om eene juiste beslissing te nemen.

Wij hebben voor ons de twee Staatslijnen en de twee geconcedeerde lijnen die ik noemde, doch die laatste zijn thans buiten behandeling en hangen nog geheel in de lucht.

Sluiten