Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord over sprak, ben ik niet geslaagd en gaf men mij zelfs te kennen dat men er niet van gediend wil zijn.

Dezelfde geachte spreker heeft de finantiele politiek der Regering op alle punten hevig aangevallen. Hij heeft een zwart tafereel van dien toestand opgehangen, en op grond van dat tafereel de noodzakelijkheid betoogd om zelfbeperking en matiging te betrachten, om geene nieuwe te ondernemen. Het is mijne taak niet de finantiele politiek der Regering te verdedigen. Dit behoort eigenaardig tot de taak van mijn ambtgenoot voor finantien, en bij de behandeling der leeningswet zal er voor dien ambtgenoot ruimschoots gelegenheid wezen zich van dien pligt te kwijten. Ik bepaal my tot het koloniaal gedeelte van die politiek.

Toen de Regering optrad, vond zij finantiele moeijelijkheden, die zy niet in het leven had geroepen; zy vond eene zeer zware nalatenschap. Men had te kiezen tusschen twee stelsels. Men kon matiging, zelfbeperking betrachten, maar dan lag het ook voor de hand, dat men de reeds ondernomen werken niet moest voortzetten en dat men moest nagaan of onder die werken niet zeer velen waren, die zonder schade voor het algemeen belang eenig uitstel konden lyden. Of w^l, men moest niet by de pakken gaan nederzitten, maar den toestand nemen gely'k die was en met kracht het begonnen werk voortzetten. De keuze was voor de Regering niet moeijelijk: met het oog op de omstandigheden en de algemeene denkwijze heeft zy het laatste gekozen. Eenmaal die keuze gedaan, heb ik met nadruk doen uitkomen, dat het groot onregt ware dat stelsel voor Nederland toe te passen en voor Indië te verlaten.

Heeft dat stelsel by de Kamer bijval gevonden? Aanvankelijk ja: er zyn verscheidene onteigeningswetten voorgedragen, waarvan het gevolg was dat men het aangevangen werk met kracht doorzetten zou, en zeer weinige zoo al eenige bezwaren zyn gerezen, althans stemmen die de Regering aanrieden om op dat terrein matigheid en zelfbeperking toe te passen, om eenige dier wegen uit te stellen, heb ik niet vernomen. Nu zeg ik tot den geachten afgevaardigde die dat terrein betrad: waarom hebt gy toen niet gesproken? Waar waren toen de flitsen uwer welsprekendheid? Zy bleven in den koker! Toen hadt gy den moed uwer opinie niet, en nu komt gij daarmede.

Het antwoord van den geachten spreker zal zyn: „„Denkt gy dan „dat ik behoor tot hen die vragen wat men buiten deze Kamer zegt? „Weet gy niet dat ik mij daarboven weet te verheffen? En als ik toen „gezwegen heb, is het omdat die wegen door de wet gedecreteerd waren"". Wat Indië betreft zal ik de stelling volhouden, dat de Kamer evenzeer moreel gebonden is door de wegen te doen aanleggen, als in Nederland. By meer dan ééne gelegenheid heeft zy fondsen toegestaan om in Indië

2a) Mr. W. Wintgens.

s

Sluiten