Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ming over dit artikel niet plaats nebbe; ik wil hopen dat ik dan gelegenheid hebben zal andere deskundigen te raadplegen.

Wat het bezwaar van den heer Wintgens, betreft die ons wederom dreigt met eene procedure, ik wijs den geachten spreker op art. 93 van de concessie, waarin met zoovele woorden staat, dat, zoo de vereischte goedkeuring des Konings of de bekrachtiging der wet niet verkregen wordt, de concessie door de Regering als nietig wordt beschouwd, zonder dat voor de maatschappij daaruit eenig regt tot schadevergoeding kan voortvloeijen.- Hoe men met dit artikel in de hand zou kunnen denken aan een proces tot schadevergoeding — ik erken het niet te kunnen begrijpen".

De heer Wintgens: „Ik wensch enkel op te merken dat de Minister zich vergist, in zooverre hy een ander artikel heeft aangehaald dan hier te pas komt. Het geldt hier art. 6 van de koop-overeenkomst, tusschen den Staat en de Maatschappij gesloten omtrent den spoorweg van Batavia naar Buitenzorg.

De geachte afgevaardigde uit Hoorn 8) houde het my ten goede, maar ook hij vergist zich als hij meent dat er geene overeenkomst bestaat. Ik heb ze hier voor my en daaraan ontbreekt alleen het votum der Kamers om terstond in werking te treden. Het is op dien voet eene voor.waardelyke verbindtenis, aangegaan door den Staat en alleen afhankelijk van onze goedkeuring. Maar nog eens, wanneer door een der contractanten van zoodanigen koop en verkoop eene handeling gepleegd wordt, die aandruischt tegen de overeenkomst, onder die voorwaarde gesloten, dan treedt het geval te voorschijn, bedoeld in art. 1296 van het Burgerlijk Wetboek; de aldus verijdelde voorwaarde kan dan geacht worden vervuld te zyn. Ik verzoek aan de regtsgeleerde leden der Kamer, en in het bijzonder aan den Minister van Koloniën, om dit punt met zijn ambtgenoot voor Justitie nader te overwegen en na te gaan of dit bezwaar geen stof geeft tot nader beraad".

De heer Stieltjes: „Mijnheer de Voorzitter! Bi stel voor om in den vierden regel van art. 1, in plaats van de woorden: „Buitenzorg met Tjitjalengka" te lezen: „Tandjong-Priok of eenig punt der lijn Batavia Buitenzorg naar Tjitjalengka", en verder zooals het artikel luidt".

Het amendement van den heer Stieltjes werd ondersteund door de heeren Fransen van de Putte, Bredius, de Casembroot, van Naamen van Eemnes en van Houten, en maakte mitsdien een onderwerp van beraadslaging uit.

Op de vraag van den Voorzitter of de heer Stieltjes nog nader het woord verlangde tot toelichting van zyn amendement, werd ontkennend geantwoord; overeenkomstig het verlangen van den Minister werd de

8) de heer J. D. Fransen van de Putte.

Sluiten