Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord dat standpunt volkomen juist aangegeven; Hjj heeft gevoeld dat daar de cardo quaestionis lag.

Art. 1269 van het Burgerlijk Wetboek zegt: „„Alle verbindtenissen „ontstaan of uit overeenkomst, of uit de wet"". Derhalve moet er zijn eene overeenkomst, waaruit de verbindtenis ontstaat, en die overeenkomst moet voldoen aan de voorwaarden die de wet stelt voor hare bestaanbaarheid. Welke die voorwaarden zijn leert art. 1356 van het Burgerlijk Wetboek. (De Kamer vergeve mij dien korten cursus van burgerlijk regt, maar hn" is noodig om de zaak verstaanbaar te maken). Dat art. 1356 zegt: „„Tot „de bestaanbaarheid der overeenkomsten worden vier voorwaarden ver„eischt: 1° de toestemming van degenen die zich verbinden; 2°, de bekwaamheid om eene verbindtenis aan te gaan; 3° een bepaald onder„werp; 4° eene geoorloofde oorzaak"".

Bekwaamheid om de verbindtenis aan te gaan had de Regering. De Regering kan verbindtenissen aangaan, maar wanneer bij het contract wordt voorbehouden toestemming van de wetgevende magt, dan is er geene regtens bestaanbare overeenkomst, zoo lang die toestemming ontbreekt. Hier is de toestemming der wetgevende magt voorbehouden bn' art. 6. Die toestemming ontbreekt alsnog. Daardoor is er ook regtens nog geene overeenkomst, dus ook geene verbindtenis, derhalve ook geene voorwaardelijke verbindtenis. De geachte spreker uit 's Hage verwart — hn' houde het mij ten goede — de voorwaarde, verbonden aan eene regtens reeds bestaande overeenkomst en aan de daaruit voortspruitende verbindtenis, met de voorwaarde, waarvan het bestaan zelf der overeenkomst en dus ook van de daaruit voortspruitende verbindtenis afhangt. De laatste voorwaarde ligt in art. 6, niet de eerste. Van daar laat zich ook verklaren alinea 2 van art. 6: „„Zij (de overeenkomst) wordt geacht niet te zn'n „gesloten, als binnen het jaar na hare dagteekening die bekrachtiging ge„weigerd of niet verleend is"". Volkomen juist. Want, volgt binnen het jaar de toestemming der wetgevende magt niet, dan is er nooit eene overeenkomst geweest. Maar dan komt zij ook eerst in het leven zoodra die toestemming is verleend.

De dwaling van den geachten spreker uit 's Hage ligt derhalve in eene verkeerde opvatting van het juridiek karakter van art. 6. En daarmede vervalt van zelf de toepasselijkheid van art. 1296 Burgerlijk Wetboek.

Maar ik ga verder. Al ware hier voorhanden eene voorwaarde als art. 1296 bedoeld, dan nog is de opvatting dier bepaling door den geachten spreker uit 'sHage geheel onjuist. Wat zegt art. 1296? „„De voorwaarde „wordt gehouden voor vervuld, indien de schuldenaar, die zich onder de„zelve verbonden heeft, de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd"". Wat is het doel dezer bepaling? Te beletten dat de schuldenaar zich onttrekke aan zn'ne verpligting, door onmogelijk te maken de vervulling der voorwaarde, die de schuldeischer praesteren moet en van wier vervulling der verbindtenis van den schuldenaar afhangt. Als ik bijv. met een werk-

Sluiten