Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

man overeenkom dal ik hem ƒ 100 zal betalen voor zeker werk, in mijn huis te verrigten, maar ik weiger hem den toegang tot mijn huis, zoodat hn' het aangenomen werk niet verrigten kan, dan ben ik niettemin gehouden, want ik zelf heb hem verhinderd de voorwaarde te vervullen waaronder ik mij verbonden heb, hem de toegezegde som te betalen. Een ander voorbeeld. Ik kom met een werkman overeen dat hn' voor eene zekere som, binnen bijv. tien dagen, een muur zal optrekken, maar op den laatsten dag, nog vóór dat het werk voltooid is, breek ik den muur af, dan heb ik mijn crediteur de vervulling van eene voorwaarde, waarvan mjjn eigen obligo afhing, onmogelijk gemaakt. Art. 1296 komt geheel overeen met art. 1178 Code Civil, waarvan het eene vertaling is, eri als de geachte spreker uit 'sHage de Fransche commentatoren raadpleegt, zal hij zien, dat allen het artikel in dien zin opvatten.

Maar wat is hier het geval? Neemt men aan dat in art. 6 van het bedoelde contract eene voorwaarde gelegen is, dan is het eene voorwaarde, 'die de schuldenaar, de Staat, maar niet de schuldeischeresse, de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij, praesteren moet. Eigenlijk is hier niet uit te maken wie schuldenaar en wie schuldeischer is, maar dit doet ook niets tot de zaak. In elk geval mist art. 1296 alle toepassing, zoo niet de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij eene voorwaarde moet vervullen, waarvan de vervulling door den Staat verhinderd wordt. En waar is hier die voorwaarde? Ligt zn' in art. 6 van het contract? Maar dan is het eene voorwaarde, die de Staat praesteren moet. Dan zouden wij hier te doen hebben met eene condüio potestativa, met eene voorwaarde, die uitsluitend afhangt van den wil van den Staat. En dan zou volgens art. 1292 van het Burgerlijk Wetboek de verbindtenis nietig zijn. Een nieuw bewijs, dat men hier te doen heeft, niet met eene voorwaardelijke verbindtenis, maar met een voorbehoud van de toestemming der wetgevende magt, noodig, om het contract van koop en verkoop der ln'n Batavia— Buitenzorg als voltrokken te kunnen beschouwen.

Ik hoop aan de Vergadering duidelijk te hebben gemaakt, dat het hier onmogelijk kan gelden eene voorwaardelijke verbindtenis, en dat dus reeds daarom het beroep op art. 1296 niet opgaat, terwijl daarenboven dat artikel door den geachten spreker uit 's Gravenhage wordt opgevat in een geheel anderen zin, dan waarin het is geschreven.

Het is mogelijk, dat mn'n vriend uit den Haag de Vergadering nader zal kunnen overtuigen van de juistheid zijner beweringen, maar voor alsnog moet ik althans verklaren, dat zn' mij onbegrijpelijk voorkomen".

De heer Wintgens, voor de derde maal het woord gevraagd en bekomen hebbende, zeide (Handelingen II bl. 723):

„Het belang van de zaak die hier besproken wordt noopt mij nog een woord te zeggen in antwoord aan mijn geachten vriend uit Amsterdam. 10a)

10a) de heer Mr. M. H. Godefroi.

Sluiten