Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het doet mij leed dat wij hier den Minister van Justitie niet aanwezig zien. Het isolement van den Minister van Koloniën geeft hier aan het Landsbelang geen kracht. Evenals op finantieel gebied de verlatenheid van den Minister door mij werd opgemerkt, zoo spijt het mij dat ik de regtsquaestie niet kan bespreken met den Minister die eigenaardig in het Kabinet geroepen wordt om deze soort van vraagstukken te behandelden.

De taak van den Minister van Justitie is nu bereidvaardig door mijn geachten vriend uit Amsterdam op zich genomen.

In het algemeen moet ik opmerken dat wat hy' zeide omtrent hetgeen ik had te berde gebragt ten aanzien van de billijkheid en de loyauteit tegenover de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij, niet beperkt mag worden tot het punt van den verkoop der lijn Batavia—Buitenzorg; maar dat hij het door my' gezegde moet opvatten in betrekking tot den geheelen zamenhang van al die contracten, van de verschillende concessien, en dan ontvalt aan zn'n betoog alle klem.

En nu het regtspunt, dat zeer de aandacht der Kamer verdient, en waaromtrent mjjn geachte vriend meende zoo positief te kunnen spreken. Wh' hebben hier te doen met een contract. Mijn geachte vriend ontzegt aan dat stuk alsnog die hoedanigheid en zegt: als gy' waarneemt de bestanddeelen, die tot het bestaan eener overeenkomst gevorderd worden, dan ontbreekt daaraan een der voorwaarden van die bestaanbaarheid; en wel, zoo al niet de bekwaamheid om eene verbindtenis aan te gaan, dan toch de toestemming van degenen, die zich moeten verbinden; zoo lang al de factoren die moeten medewerken, niet hebben toegestemd, is er geen overeenkomst.

Nu pleit ik hier niet; maar ik spreek tot eene vergadering uit velerlei bestanddeelen zamengesteld, en doe haar eenvoudig opmerken dat hier binnen het tijdsverloop van één jaar tweeërlei overeenkomsten zijn besproken, die mede die nadere toestemming noodig hadden, maar die toch zeer stellig reeds verbindend waren voor den Staat; ik bedoel het contract met de Maatschappij Zeeland, en dat met de gemeente Rotterdam. Ook daaraan ontbrak onze toestemming; maar waren zrj daarom niet verbindend voor den Staat der Nederlanden? Voor u allen, Mijne Heeren, al dan niet regtsgeleerden, roep ik deze voorbeelden in om u te overtuigen dat het betoog van mijn geachten vriend geen steek houdt.

Wn' hebben hier te doen met eene koopovereenkomst, een contract, waaruit wederkeerige verpligtingen voortvloen'en, gesloten niet door den Staat vertegenwoordigd door die drie factoren van de wetgevende magt, den Koning en de beide Kamers, maar door den Staat vertegenwoordigd door de Ministers van Koloniën en van Finantiën; deze hebben den Staat verbonden tot die koopovereenkomst en daarbij verklaard dat zij eerst in werking treedt, als zy' door de wet is bekrachtigd. Tot zoolang bly'ft dus de werking opgeschort. De verbindtenis hangt af van eene voorwaar-

Sluiten