Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik erken het, in hare personen veranderen: zy zou het belang harer Maatschappij verkeerd kunnen begrijpen; welnu, dan belet dit wetsontwerp de Regering geen oogenblik nog te komen tot het plan van den geachten afgevaardigde- uit Amsterdam. Ik zeg meer: er is geene wet, geen reglement, geene bepaling die de Regering zou verhinderen een weg Batavia— Buitenzorg te leggen langs den regteroever der rivier; maar dit zyn van die uitersten waartoe men niet gaarne overgaat. Wanneer echter een monopolist misbruik wilde maken van zyn monopolie ten nadeele van het algemeen belang, zou er voor my geen bezwaar zijn gebruik te maken van de magt en de bevoegdheid der Regering om het algemeen belang boven dat van den monopolist te doen gaan, om een weg naast den zijnen te leggen. Ware ooit het beleid van het Departement van Binnenlandsche Zaken of dat van Waterstaat aan my opgedragen, ik zou — ik erken het — zooveel geduld niet gehad hebben ten aanzien van den weg Breda-Rosendaal.

Ik herhaal het, het amendement heeft geene vijandelijke strekking; het laat de Regering geheel vry naar goedvinden te handelen.

Ook by aanneming daarvan zal de weg Buitenzorg—Tjitjalengka worden aangelegd naar de meening der Regering; ik denk van die vrijheid geen gebruik te maken en kan thans niet de voorkeur glaven aan eene andere rigting. Ik wensch zelfs het vermoeden niet te doen ontstaan als wilde ik van zienswijze veranderen, en daarom acht ik het beter het amendement niet over te nemen. In de meest dringende, meest algemeene behoefte wordt door het plan der Regering behoorlijk voorzien, terwijl daardoor de latere aanleg van andere wegen, zoo noodig, niet wordt buitengesloten".

De heer Wintgens erlangde voor de vierde maal het woord en zei (Handelingen bl. 728):

„Slechts nog eene opmerking. Den Minister van Koloniën en den ouderen leden der Kamer wensch ik ééne zaak in herinnering te brengen.

Omtrent myn bezwaar dat eerst de contracten met de Spoorwegmaatschappij moesten zyn uit den weg geruimd, alvorens nieuwe beschikkingen te nemen, zeide de Minister: uw bezwaar vervalt, omdat het hier geldt eene publiekregtelijke quaestie.

Hoe, een koopcontract van een spoorweg door het Rijk gesloten, met eene Maatschappij, eene publiek-regtelyke quaestie?

Ik roep daarby den Minister in het geheugen terug hoe hy, naar ik meen in 1862, met Tharbecke het Staatsbeleid in handen had, toen er eene werkelijk publiekregtelyke quaestie aanhangig was, eene concessie verleend aan de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij door de Regering om de lyn Leiden-Woerden aan te leggen.

En nu zal de Voorzitter zich de motie herinneren, die hy toen aan de Kamer voorstelde en welke door haar werd aangenomen. De Minister en de oudere leden der Kamer zullen zich mede herinneren hoe vroeger nog

Sluiten