Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister van Koloniën Mr. P. P. van Bosse. antwoordde den heer Heydenrgck als volgt (Handelingen bl. 743):

Wat nu verder betreft de verschillende punten, in de discussie aangevoerd, tref ik in dè eerste plaats de vragen aan, door den geachten afgevaardigde uit Nijmegen, den heee- Heydenrijck, tot mij gerigt. Die spreker vond het antwoord, door mij gegeven op zijne eerste vraag, niet zeer duidelijk. Ik zal het herhalen; misschien gelukt het mij nu mijn denkbeeld klaarder aan den geachten spreker voor te dragen.

Hn' vroeg mij: zoof de spoorwegen niet tot stand komen, zult gij dan de belastingen invoeren? en omgekeerd: zult ge het stelsel aannemen, dat, worden de belastingen niet toegestaan, dan ook de spoorwegen niet zullen worden aangelegd?

Wat het laatste punt betreft, moet ik bezwaar maken den spreker een voldoend antwoord te geven; maar mijne bedoeling was deze, dat, mogt geen verlof worden gegeven tot het aanleggen der spoorwegen, het op het oogenblik niet goed gezien zou wezen de belastingen in te voeren. Dat zou dan tot een later tijdperk verschoven moeten worden.

In den toestand, waarin de discussie zich nu bevindt, zal dat geval zich niet voordoen; de spoorwegen zyn aangenomen; ik blyf dus van meening dat het volstrekt noodig is deze belastingen ook in te voeren en ik geef den geachten spreker de verzekering, dat, mogt door eene vereeniging van minoriteiten een ongunstig votum over dit gedeelte van het wetsontwerp worden uitgebragt, myn bepaald voornemen is by de eerstvolgende begrooting op de zaak terug te komen.

Overigens merkte hy aan den heer Fransen van de Putte op, dat het denkbeeld om groote werken uit leeningen te bekostigen reeds door den heer Alting Mees was voorgedragen, doch dat blijkens het Voorloopig Verslag niet gebleken was dat er één stem vóór was. „Wanneer men tot de kern der zaak doordringt is er ook veel tegen", aldus de Minister (bl. 744).

De heer Fransen van de Putte zeide by zyne nadere uiteenzetting (Handelingen II bl. 746):

„Ik kom nu tot een meer serieus punt. Ik zie daarbij den geachten afgevaardigde uit Haarlem 14) en den Minister van Koloniën tegenover mij staan. Dat gebeurt niet dikwijls.

Is er tegenspraak tusschen dien geachten afgevaardigde en den Minister en tusschen den Minister van Koloniën en den Minister zelf.

Het voorname punt waarmede de geachten afgevaardigde uit Haar-

14) Mr. C. J. F. Mirandolle.

Sluiten