Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kerens de Wh'lré, Schimmelpenninck, van Wassenaer van Catwn'ck en Lambrechts.

e Zitting van 3 Juni 1878.

Den 3 Juni 1878 kwam het wetsontwerp in de Eerste Kamer in behandeling.

Aldaar opende de heer Mr. A. J. Duymaer van Twist de besprekingen met de volgende rede (Handelingen 1877—78. I. bl. 178): „Mijnheer de Voorzitter! Ik wensch eenige oogenblikken van de aandacht der Kamer te vragen om het een en ander in het midden te brengen, zoowel betreffende hetgeen in ons Verslag voorkomt omtrent dit wetsontwerp als omtrent hetgeen daarin yoorkomt ter gelegenheid van dit wetsontwerp.

De eerste vraag, die hier te beantwoorden is, is deze: bestaat or behoefte aan spoorwegen op Java, ook met het oog op de ontwikkeling van dat deel van het Rijk? De behoefte wordt thans, ook in deze Kamer, blijkens het Eindverslag, vrij algemeen erkend. Daarover dus geen woord meer.

Maar de vraag, waarover de gevoelens uiteenloopen, is deze: zal men de vervulling dier erkende behoefte uitstellen, of zal men met die vervulling eeh aanvang makenl

De voorstanders van het uitstel wjjzen op den minder gunstigen finantielen toestand. Die min gunstige toestand, meenen zn", is ook voor een deel veroorzaakt door de toeneming van de Indische uitgaven; niet alleen gewone, maar ook buitengewone, voor openbare werken, en vooral niet te vergeten, voor oorlogskosten.

En zeker, het kan niet ontkend worden, dat wij door dat een en ander in den laatsten tijd voor een en ander niet meer zoo ruim als vroeger uit de Indische bronnen ten behoeve van het moederland hebben kunnen putten. Doch aan den anderen kant is ook zeker dat, tot hiertoe althans, de Indische bronnen zelve meer dan voldoende geweest zn'n om die uitgaven te bestrijden.

Maar de voorstanders van uitstel wijzen vooral op de uitgaven, benoodigd voor de kostbare werken hier te lande, waartoe reeds besloten is; op de spoorwegwet van 1860, die nu nog niet geheel is uitgevoerd; op de nieuwe spoorwegwet van 1875; op den Rotterdamschen waterweg; op de vestingwet; terwn'1 niemand nog in staat is om het millioenental te berekenen, voor dit een en ander benoodigd, en toch niemand er aan denkt die werken onuitgevoerd te laten. Ik ontken niets van dit alles, Mijnheer de Voorzitter, maar ik vraag: mag daarin eene reden gezocht worden, om die erkende behoeften in Indië onvervuld te laten? Aangenomen dat men hier te lande te veel op zn'ne hoorns genomen heeft (wat ik onbesproken laat), mag men dan voor die fout Indië laten boeten?

Mn'ne meening is dat, volgens onze Grondwet, Nederlandsch-Indië als bezitting van het Ruk een deel uitmaakt van het Rijk, en dat daaruit

Sluiten