Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bedenking van den geachten eersten spreker betrof het financieel punt. Herhaaldelijk heeft die geachte afgevaardigde er zich tegen verklaard, dat in den loop van een dienstjaar uitgaven worden voorgesteld zonder aanwijzing van bepaalde middelen. Is die eisch billijk? Ik geloof niet dat die tot de uiterste consequentie kan worden doorgevoerd. Ik acht het voldoende wanneer met eénigen grond kan worden verondersteld, dat de uitkomsten der dienst van dien aard zullen zijn dat aan geen buitengewone middelen behoefte is.

Trouwens, de geachte spreker weet even goed als ik, dat de begrooting voor Nederlandsch-Indië van 1880 sluit met een tekort, en dat bij de begrootingswet zelve het middel tot dekking daarvan werd aangewezen. Sedert zijn de omstandigheden ten gunste veranderd: de prijs van een der producten is aanzienlijk gestegen; en hoewel op dien prijs geen grooten staat te maken zij, moet tevens in aanmerking worden genomen, dat de koffijoogst van dit jaar, volgens de laatste opgaaf, niet meer zal bedragen dan 750.000 pikols, zoodat het bedrag der uitgaven aanzienlijk minder zal zijn.

De geachte afgevaardigde zegt, dat wij dit oogenblikkelijk voordeel later zullen moeten boeten. De geachte spreker weet even goed als de Regering, dat nimmer de koffijoogst van een jaar in het daarop volgende geheel wordt verkocht. Jaarlijks wordt gemiddeld zekere hoeveelheid afgezet, juist met het oog op de wisselvalligheid van den oogst. De laatste oogst is, naar ik meen, 1.260.000 pikols, en in de jongste begrooting wordt slechts gewaagd van een verkoop in Nederland van 850.000 en in Indië van 100.000 pikols, dus een verkoop van 950.000 pikols. Men zal derhalve ongeveer 300.000 pikols overhouden, en met den te verwachten oogst, die natuurlijk nog eenigzins onzeker is, zal men voor 1881 eene onvoldoende quantiteit te verkoopen hebben.

Ik ben het met den geachten spreker eens, dat het wenschely'k zoude zijn dat ook dit jaar de uitgaven wegens de koffij niet minder waren dan in het vorige, maar aan het feit is niets te doen; ongeveer ƒ 1.350.000 valt op die uitgaaf vrij. Er bestaat dus hoegenaamd geen financieel bezwaar om de begrooting met de niet zeer belangrijke eerste uitgave wegens den spoorweg Soerakarta—Madioen te belasten.

Er wachten ons echter nog meer uitgaven, zegt de geachte spreker, en wij moeten die dus niet vermeerderen.

Zeker, Mijnheer de Voorzitter, maar er zyn ook voorbijgaande uitgaven, en daartoe behooren die voor den aanleg van spoorwegen. Wanneer een spoorweg eenmaal is aangelegd, houden de uitgaven op, gely'k dit nu met een gedeelte van den spoorweg tot Madioen het geval is, dat men dit jaar hoopt gereed te hebben. De gelden, die voor dien aanleg op de begrooting van 1880 zyn uitgetrokken, zullen op de volgende niet meer voorkomen, maar een evenredig bedrag zal alsdan voor den aanleg van andere lynen gebruikt kunnen worden..

Sluiten