Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meyners opgemaakt was geworden 7a) en voorts dat brj G. B. van 27 Mei 1883 No. 5 machtiging werd verleend om eene directe spoorverbinding tusschen Semarang en Willem I op te nemen als verlenging van de lijn

Djokja Magelang—Willem I — waarover in een der op deel VII volgende

deelen meer —, doch dat deze machtiging bn' G. B. van 20 September 1883 No. 14 werd ingetrokken op last van den Minister van Koloniën. Ook de opname van spoorwegen Oostelijk van Probolinggo werd gestaakt. In zijn dépêche van 4 Augustus 1883 Lett. A. 3. No. 5611659 had de Minister van Koloniën van Bloemen Waanders aan de Indische Regeering medegedeeld, dat hn' in afwijking van het advies van den ^Gouverneur-Generaal, die den aanleg der lijnen Soerabaia—Oedjong, Djokja—Tjilatjap en Tjilatjap— Tjitjalenka voorgesteld had (zie o.a. Indischen brief van 3 Februari 1883 No. 20912), voorloopig geen fondsen voor spoorwegbouw wenschte uit te trekken behalve voor het lijntje Soerabaia^—Oedjong (begrooting 1884) en dat het onnoodig voorkwam, nieuwe lijnen te doen opmeten èn te ontwerpen, waar reeds over zoo vele voorontwerpen van diverse lijnen beschikt werd. Was opname van nieuwe lijnen in 't algemeen niet noodig zeker was dat het geval met de lijn Willem I—Semarang, welke „niet meer of minder dan „den ondergang van den bestaanden spoorweg Samarang-Vorstenlanden [[tengevolge zal hebben" ,Het voor de ontwikkeling van Java zoo weldadige spoorwegverkeer is aldaar nog te zeer in zijn geboorte om nu reeds „te denken aan soncurreerende lijnen, die natuurlijk elkanders bestaan „ernstig zouden bedreigen. Door zoo te handelen zou het particuliere initiatief, dat zich in den laatsten tijd ten opzichte van spoorwegbouw op „Java vry krachtig openbaart, voornamelijk ten gevolge van de goede uitkomsten van de exploitatie der lijn Samarang-Vorstenlanden, een gevoe„ligen knak krijgen, wat dubbel te betreuren zou wezen nu de Staat, door den ongunstigen toestand zijner financiën gedwongen, den voorgenomen „spoorwegbouw moet beperken". 7b)

7a) Over deze lijn, zie Indische Spoorwegpolitiek deel V Hoofdstuk II §§ 5 en 6. De betrekkelijke stukken .waren den Minister van Koloniën bij Indischen brief van 8 December 1882 No. 2093|17 aangeboden geworden.

76) Het staken dezer opnamewerkzaamheden zou later nog heel wat stof doen opwaaien. In 1904 — 23 Juni — werd nL door den heer D. T. W. Scholte concessie aangevraagd voor een lijn van Bojolali naar Djomblang. Het advies van den Directeur der B. O. W., van Houten, van 9 Februari 1905 No. 2114| SS, waarmede de Landvoogd zich in hoofdzaak vereenigde, wekte de verontwaardiging op van den heer E. B. Kielstra, Gouvernements Commissaris van de N. L S. M., die zich deswege bü dén Minister van Koloniën beklaagde (14 Juli 1905 No. 4). Naar aanleiding van de uitlatingen van den heer H. van Kol in de Kamerzitting van 20 Nov. 1906 (Handelingen blz. 301) bracht de Minister Mr. D. Fock dezen brief bij schrijven van 28 Januari 1907 Kabinet Letter Dr No. 9 ter kennis van de Indische Regeering.

De aanvraag-Scholte werd bij G.B. van 26 Maart 1906 No. 15 afgewezen.

Bij de behandeling van de lijnen om Djokja zal op dit onderdeel der Indische Spoorwegpolitiek nader teruggekomen worden.

Sluiten