Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij depêche van 5 Maart 1881 Lett. A 3 No. 39|400 werd de Indische Regeering op de hoogte gebracht; ook werd de Koninklijke machtiging gevraagd, welke bij K. B. van 28 Maart 1881 No. 4 verleend werd, onder nadere goedkeuring bij de wet.

Den 29sten Maart 1881 werd daarop de overeenkomst geteekend, welke bij bijlage XIV is gevoegd. (Gedr. Stuk 1880—81. II. 165 No. 2).

De aandeelhouders achtten echter den verkoopprijs te laag, zoodat de Raad van Beheer bij brief van 3 Mei 1881 No. 290 verhooging vroeg. Aangezien zulks echter door Minister Mr. W. baron van Goltstein geweigerd werd (brief van 5 Mei 1881 Lett. A 3 No. 18), besloot de vergadering van aandeelhouders op 25 Mei om in het ministerieel aanbod te treden. Met 510 tegen 141 stemmen werd de beslissing genomen; de oppositie tegen het voorstel vond haar woord- en penvoerder in den persoon van Mr. E. Bergsma. 6)

Het Voorloopig Verslag over het wetsontwerp, gedateerd 11 Augustus 1881, luidde niet bepaald gunstig (bijlage XV). De bezwaren werden in de bij brief van 19 September 1881 ingediende Memorie van Antwoord weerlegd (bijlage XVI). Den 26sten September oordeelde de Commissie van Rapporteurs in haar kort Eindverslag (Gedr. Stuk 1881—82 II 40 No. 2) het wetsontwerp rijp voor de openbare behandeling in de Kamer. Daar mocht op 4 October 1881 na een zeer korte discussie het wetsontwerp een belangrijke meerderheid verwerven.

Met 38 tegen 11 stemmen werd de wet aangenomen.

Pas eind November 1883 kwam de wet in de Eerste Kamer. Het Eindverslag der Commissie van Rapporteurs (Bn'lage XVII) was gedagteekend 3 December 1881.

Den vorigen dag had de Minister, op de hoogte van de geopperde bezwaren, door den Secretaris-Generaal nogmaals laten vragen of de N. I. S. M. bn' verwerping van de wet nog altijd overwegende bezwaren tegen de exploitatie van de havenln'n zou hebben. Bij brief van denzelfden datum No. 746 werd bevestigend geantwoord onder verwijzing naar de motieven ontwikkeld in den boven geciteerden brief van 31 Januari 1881, No. 62.

Den 7den December diende Minister van Goltstein, naar aanleiding Van bovengenoemd Eindverslag eene Nota bij de Eerste Kamer in (Bijlage XVIII). Den 8sten December hadden de besprekingen plaats, die leidden tot de verwerping van het wetsvoorstel met 14 tegen 13 stemmen. De heer L. A. G. graaf van Limburg Stirum, die te laat binnenkwam, stemde vóór; tot groote financieele schade voor den lande mocht zn'n stem niet medetellen, herstemming was dus uitgesloten.

6) De Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij. Een financiëele studie door Mr. E. Bergsma, Lid van de Arrondissements Rechtbank te Rotterdam (Uit. J. de Jong Rotterdam 1881) bl. 16 e.v.

Sluiten