Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

By' G. B. van 2 Maart 1906 No. 34 werd daarop bekend gemaakt dat er geen aanleiding bestond om wijziging te brengen in de voorwaarden gehecht aan het G. B. van 16 Augustus 1905 No. 4.

Toen daarop de H. V. bij rekest van 16 September 1906 nogmaals op de zaak terug kwam, ditmaal vragende:

le. om den geldigheidsduur der concessies met ongeveer 20 jaar te verlengen ;

2e. de 3 concessies tot één te vereenigen, welke op 1 Januari 1964 zou af loopen;

lichtte de Directeur der B. O. W. den H. V. nader in (brief van 27 September 1906 No. 15048).

De Directeur betoogde dat de naastingspry's volgens de bestaande bepalingen 20 maal de gemiddelde winst over de 3 voordeeligste jaren der laatste 5 jarige periode zou bedragen, terwy'1 de nieuwe naastingsbepalingen een kapitaliseering door vermenigvuldiging met 25 van de gemiddelde winst over 10 jaren voorschreven, dat is 25 % hooger dan onder de vigeerende bepalingen — aannemende dat het gemiddelde winstcyfer in beide gevallen ten naasteby gely'k was. Veel verschil zou het niet geven; de nieuwe bepalingen werden beter geacht omdat de schynbaar zou eenvoudige, doch in de toepassing zoo moeily'ke uitdrukking „zuivere winst" vermeden werd.

Wat punt 2 betreft werd door den Directeur der B. O. W. opgemerkt, dat art. 8 der nieuwe voorwaarden een duidelijker omschry'ving gaf van de omstandigheden, welke zich tengevolge van het medegebruik van openbare wegen door de tramwegen kunnen voordoen. By' de Ps. S. M. waren enkele verplichtingen rakende het onderhoud van den gebruikten weg, gestipuleerd by" de goedkeuring der detailteekeningen, terwy'1 verder een gezegelde verklaring door de My was afgegeven, waarin zy' ten aanzien van een deel der lyn hare verplichting erkende om de kosten te vergoeden, welke in sommige gevallen voor het Gouvernement konden voortvloeien uit de aanwezigheid van den tramweg (zie bn'lage XXI). Een feitelijk verschil bij den ouden en nieuwen toestand werd niet verwacht.

Eindely'k werd ad punt 3 van den brief van den H. V. van 21 November 1905 betoogd, dat in dezen de schy'n erger was dan de werkelijkheid en dat de practy'k getoond had, dat de Malang Stoomtram Maatschappy', de lyn Cheribon—Kadipaten en de uitbreidingen der Deli-Spoorweg Maatschappij geen nadeeligen invloed van de nieuwe bepalingen ondervonden.

De H. V. deelde by' schrijven van 27 September 1906 mede, dat hy' de opmerkingen ter kennis van zyn directie in Holland gebracht had.

Een jaar later vroeg de Directeur der B. O. W. hoe het met het overleg stond; het antwoord luidde dat nog geen bericht was gekomen. Twee jaar later drong de Directeur der B. O. W. tot tweemaal toe nogmaals op antwoord aan (brieven van 30 September en 31 December 1909). Den

Sluiten