Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat is zoo, maar toch zou dat als tegenwerping geheel onjuist zijn, „en wel om deze twee redenen:

„lo. omdat wij hier te lande het onpartijdig collegie, den Raad van „toezicht hebben, dat omtrent alle belangrijke zaken adviseert;

„2e. omdat hier de Staat niet onmiddellijk zelf exploiteert, doch al „zijne lijnen in exploitatie aan eene afzonderlijke maatschappij heeft overgedragen, welke als elke andere gewone maatschappij, aan het algemeen „toezicht is onderworpen. Deze combinatie is dus iets geheel anders dan „te exploiteeren voor den Staat, en tevens te controleeren over en te advi-

„seeren omtrent de particuliere maatschappijen". (Handelingen 1883 84

II bl. 302).

Minister van Bloemen Waanders antwoordde hierop (Handelingen 1883—84. m bl. 309):

„De geachte afgevaardigde noemde het eene fout dat de controle „over de particuliere maatschappijen was opgedragen aan den hoofdinspecteur voor de Staatsspoorwegen. Ik noem dit ook verkeerd. Daaromtrent bestaat dus tusschen ons geen verschil. Maar men vergete niet „dat wij ten opzichte van de spoorwegen op Java thans nog verkeeren in „een toestand van overgang. Wanneer die spoorwegen meer uitbreiding „zullen hebben ondergaan, zal er aanleiding zijn om het toezicht op de „spoorwegen behoorlijk te regelen. Maar men vergete echter niet dat „een dergelijke regeling ook in de beurs zal tasten". 26)

Tèlkens bracht de heer De Bruyn Kops de zaak opnieuw 'ter sprake. Zoo op 11, 12 en 16 Juni 1884 (Handelingen 1883—84 II. bl. 1575, 1576, 1577 en 1593), waarop door Minister Sprenger van Eyk op 16 Juni 1884 geantwoord werd (Handelingen 1883—84. II. bl. 1589 en 1593).

Den 16den en 17den December 1884 kwam de heer de Bruyn Kops er weder op terug en antwoordde de Minister van Koloniën (Handelingen 1884 —85 II. bl. 103, 121, 126, 132), nadat in het Voorloopig Verslag ad onderafd. 83 het volgende vermeld was: „De opmerking werd herhaald, dat het „belasten van den Chef der exploitatie (!) van de Staatsspoorwegen op „Java met het toezicht op de particuliere spoorwegen op den duur niet „houdbaar is," en de Minister hierop geantwoord had, dat zulks inderdaad het geval was, „doch dat hij geloofde dat voor het aanstellen van „afzonderlijk personeel de geschikte tijd nog niet gekomen was".

Overigens worde verwezen naar deel V der Indische Spoorwegpólitiek, waar in Hoofdstuk II § 3 e.v. de redevoeringen van den heer de Bruyn Kops voor zoover zij op de Indische spoorwegen betrekking hadden, in extenso zijn opgenomen. — (zie ook het V. V. en de M. v. A. op de Indische Begrooting voor 1886 aldaar in § 4).

Uit het Voorloopig Verslag op de Begrooting voor 1887 citeer ik nog (Gedr. St. 1886—87. 4 No. 37 bl. 13).

25) Zie ook Handelingen 1883—84. II. bl. 311,

Sluiten