Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Kroesen ging blijkens zijn begeleidenden brief van 30 Oct. 1882 No. 9831 |c niet accoord met het voorstel van den heer Derx om art. 27 A. R. I. te doen luiden: „Het Regeringstoezigt op de spoorwegdiensten „behoort tot den werkkring van het Departement der Burgerlijke Openbare Werken" en art. 1 der Instructie: „Het algemeen toezicht op de „spoorwegdiensten wordt met inachtneming van de voorschriften zijner bijzondere instructie uitgeoefend door den Inspecteur-Generaal, Chef van „den dienst der Staatsspoorwegen". Hn' merkte op dat de motieven van den heer Derx gegrond waren „eenig en alleen op eene zijnerzijds om „ligt te bevroeden redenen gewenscMe bestendiging van eenen abnormalen „toestand" en gaf als zyn meening te kennen, dat er eene hiërarchische verhouding moest wezen en dat de door den heer Derx geopperde bezwaren van staatsrechtelijken aard geen zin hadden.

Tegen de bestaande regeling, waarin hy by' de tot standkoming berust had, had hy' zijne bezwaren destijds kenbaar gemaakt, aldus de heer Kroesen. Hy' was echter gezwicht voor bezwaren van hooger orde om „re„denen die destijds bestonden toen men schier uitsluitend had te rekenen „op de eminente hoedanigheden, doch ook helaas! rekenschap moest houden met de menschely'ke gebreken in het karakter van den heer D. „Maarschalk om eenen zeer gewigtigen tak van dienst — aanleg en exploitatie van Staatsspoorwegen in Nederlandschylndië — in het leven te „roepen, te organiseren en tot stand te brengen".

Wat men toen wel deed ten opzichte van de „te ver gaande eischen" van den heer Maarschalk, behoefde men nu niet weer te doen. De heer Kroesen wilde geen staat in den staat en wenschte daarom het „toezicht" in art. 28 A. R. I. gebracht te zien onder den Directeur der B. O. W.

De Raad van Indië (advies van 17 Aug. 1883 No. XXII) was het met deze beschouwingen geheel oneens. Hy' wilde geen principieele beslissing nemen en meende daarom, dat de kwestie van het toezicht buiten de ontwerp-reglementen gehouden moest worden. Niet of een veranderde verhouding wenschelyk was, luidde de zienswijze van het hooge college, beheerschte de kwestie, maar of de regeling in overeenstemming was met de bestaande ordonnanties, en instructies, zooals deze door het Opperbestuur in Holland uitgelijnd waren. En aangezien dit het geval was, moest volgens den Raad de Inspecteur-Generaal het toezicht zelfstandig uitoefenen; rechtstreeksche bevelen van den Directeur der B. O. W. behoefde hy' in dit opzicht niet te ontvangen.

Vermelding verdient nog, dat de Raad van Indië zich met de door den Directeur der B. O. W. ontwerpen „Voorwaarden enz", vereenigde en de „Bepalingen enz." van den heer Derx verwierp.

Over het A. R. III heerschte niet veel verschil van meening, althans niet omtrent die artikelen, welke voor het hier behandelde onderwerp van belang waren. Daarover was de strijd reeds eenige jaren tevoren uitgestreden. Zooals reeds in § 1 van Hoofdstuk V van deel I der Indische

Sluiten