Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De instelling van een Raad van Toezicht zooals dit in Nederland geregeld was bij K.B. van 9de Juli 1876 (Ned. Stbl. No. 159) en de Ministerieele Beschikking van 26 Juli 1876 Lett. S|S. afd. II leek den heer de Gelder doelmatig. Die Raad zou zich met betrekking tot de S.S. kunnen bepalen „tot het nemen van beslissingen of het uitbrengen van adviezen in alle quaestiën gerezen tusschen den Dienst der S.S. en andere „spoorwegdiensten of tusschen particuliere spoorwegen onderling en „voorts tot het uitbrengen van adviezen over alle maatregelen met betrekking tot de exploitatie van de Indische spoorwegen te nemen".

De Gouverneur-Generaal van Rees, was het in hoofdzaak met den heer de Gelder—en dus ook met den Directeur der B. O. W. — eens. Het gevolg was dat bjj M. G. S. van 26den Febr. 1886 No. 164|c de Directeur der B. O. W. uitgenoodigd werd om in overleg met den Inspecteur-Generaal de noodige voorstellen te doen. Wat het toezicht op de S.S. betrof, werd vermeend, dat er de voorkeur aan gegeven moest worden om voor de S.S. geen afzonderlijk toezicht in te stellen „maar te vertrouwen op de „püchtsbetrachting der ambtenaren, aan wie het beheer van dezen dienst „opgedragen is.

„Wat de particuliere spoorwegen betreft, is de Regeering van oordeel dat een einde moet worden gemaakt aan den tegenwoordigen weinig „practischen toestand, welke het toezicht op die lijnen doet berusten bij den bestuurder der Staatsspoorwegen, wiens plicht het is te waken „voor de belangen van dien dienst, welke belangen niet zelden in strijd „zullen komen met die eener bijzondere maatschappij".

Ten opzichte van het denkbeeld om een Raad van Toezicht in te stellen, meende de Regeering, dat het ter wille van een beter en krachtiger gestie meer aanbeveling verdiende een eenhoofdig gezag in te stellen geheel onafhankelijk Van den dienst der S.S. en rechtstreeks ondergeschikt aan den Directeur der B. O. W.

Bij missive van 15 April 1886 No. 1594 voldeed de heer Derx aan het verzoek van den Directeur der B. O. W. om mededeeling wat z.i. noodig zou zijn tot uitvoering der boven vermelde denkbeelden. De InspecteurGeneraal concludeerde uit de hem verstrekte opdracht dat de Regeering Dljjkbaar terug wilde tot den toestand van vóór 1879, toen het toezicht op den aanleg bij de waterstaatsambtenaren berustte. De heer Janssen van Raay ging hiermede in zijn brief van 19den Mei 1886 No. 4994|D niet accoord en diende tegenvoorstellen in, waarbij het toezicht aan een bekwaam hoofdambtenaar weerd toevertrouwd, „die het noodige gezag en „vertrouwen bezit om krachtig te kunnen optreden, waar dit noodig is, „die den Directeur als volkomen betrouwbaar raadsman in spoor- en ^tramwegzaken ter zijde staat en die alle daarop betrekking hebbende „aangelegenheden bij het Departement behandelt".

De Raad van Indië stemde in algemeenen zin in met de voorstellen van den Directeur der B. 0. W. (advies van 28 Mei 1886 No. XÏX). De

Sluiten