Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minister van Koloniën in te dienen (5 Februari 1915), waarin de bezwaren tegen de voorgenomen regeeringsbemoeiing ontwikkeld werden, (zie bijlage XXXIV).

De Minister van Koloniën, de heer- A. W. F. Idenburg, bracht deze nota bij depêche van 20 Maart 1915 Afd. A 4 No. 59|655 ter kennis van de Indische Regeering; de in Indië voorgenomen regeling kon de instemming van Zijne Excellentie niet wegdragen, zoodat hij in overweging gaf deze in Nederland door den oud- hoofdinspecteur der S.S., den heer H. F. van Stipriaan Luiscius en het lid van den Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten Mr. J. B. Peyrot te doen uitwerken. 9b)

Onder verwijzing naar de Vervolg-Nota van den Raad van Beheer der N.I.S.M. en van de directie der 4 Zuster Maatschappijen van 22 Maart 1915 (zie bijlage XXXIV) en den daaraan voorafgaanden brief van den 7den Januari 1915 No. 7, welke elkaar gekruist hadden en waarvan de Minister van Kolor'jn nog geen kennis had kunnen dragen bn" het afzenden zijner depêche, betoogde de Directeur van G.B. — brief van 28 Juli 1915 No. 279 geheim — dat het allerminst in zijn bedoeling gelegen had een uitgebreide reglementeering in te voeren als in 1903 in Nederland tot stand was gekomen en dat een uitgewerkte loonregeling niet noodig geoordeeld werd; het plan om de Indische regeling in Nederland te laten samenstellen, waar overleg met de werknemers uitgesloten was, werd verworpen en daarentegen onder overneming van de meening uitgedrukt in de „Nota", voorgesteld de A.R.'s I en II met een artikel 3a en het A.R. III met een art. 4a aan te vullen, welke artikel 3a in den definitieven tekst van Stbl. 1916 No. 67 als volgt luidde:

„Artikel 3a. Regelen dienst- en rusttijden.

„1) Regelen, welke bn* de vaststelling der dienst- en rusttijden van „het personeel der spoorwegdiensten zijn in acht te nemen, worden, ten „aanzien van die categorieën van-het personeel voor welke de Directeur „van Gouvernementsbedrijven dit in het belang van de behoorlijke uitoefening van den dienst of van de veiligheid van het verkeer noodig acht, „door de bestuurders aan diens goedkeuring onderworpen.

„2) Wordt tusschen den Directeur van Gouvernementsbedrijven en „de bestuurders binnen redelijken termijn geen overeenstemming verkre„gen, hetzij omtrent de vraag of voor eenige categorie van personeel re„gelen als hier bedoeld noodig zijn, hetzij omtrent de regelen zelve, dan „beslist de Gouverneur-Generaal.

„3) Door bestuurders van spoorwegdiensten kan van de door den „Directeur van Gouvernementsbedrijven goedgekeurde of door den Gouverneur-Generaal vastgestelde regelen betreffende de dienst- en rusttijden worden afgeweken telkens wanneer dit in het belang van eene behoorlijke uitoefening van den dienst of van de veiligheid van het ver-

96) De heer Peyrot zal in begin 1920 als adviseur voor de sociale aangelegenheden bü het Departement van Gouvemements Bedrijven worden.

Sluiten