Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had zijn vader naar de Nederlanden vergezeld en was met hem 28 Aug. 1544 te Breda aangekomen. Op den 6Jen September verscheen hij te Brussel, „dies nefastus", ongeluksdag, zegt Pontus Heuterus, de strenge katholiek, vele jaren later bij de gedachte aan het ongeluk, dat hij volgens dezen over de Nederlanden had gebracht. Aan de onderhandeling zijns vaders met de Bourgondische regeering en met de weduwe van René nam hij natuurlijk geen deel en weldra keerde hij met graaf Wilhelm naar Dillenburg terug in afwachting van den loop dier onderhandeling. Zij bracht beiden nog vóór half November weder naar Breda en Brussel, van waar de vader eerlang naar zijn land terugging, zijn zoon thans voorgoed aan het Bourgondische hof achterlatend. Diens toekomst was verzekerd en de gemaakte afspraken hadden een definitieven vorm aangenomen, zij het dan niet geheel volgens 's vaders eigen wenschen en verwachtingen.

In het voorjaar van 1545, toen graaf Wilhelm weder naar de Nederlanden was gereisd, is omtrent de voogdij en de opvoeding alles in orde gekomen. Twee jonge vrienden en verwanten, graven van Isenburg en Westerburg, werden naast den jongen Prins in diens paleis opgenomen ; een kleine hofhouding werd voor hem ingericht, zoo eenvoudig en zoo zuinig als maar mogelijk was. Corbaron, de ervaren Bourgondische hoveling, zou de opvoeding van den jongen vorst te leiden hebben onder persoonlijk toezicht van de landvoogdes zelve, wier moederlijke zorgen voor den knaap meer dan eens worden geroemd. De gezamenlijke jaarlijksche kosten van zijn onderhoud en dat zijner hofhouding werden op slechts ruim 3500 gulden vastgesteld, opdat de inkomsten zijner goederen onder zuinig beheer gedurende zijne minderjarigheid weder eenigszins zouden kunnen toenemen.

Maar zoowel Corbaron als Merode waren oude heeren en de oppervoogd, de coadjutor, werd in 1546 keurvorst van Keulen, zoodat de feitelijke uitoefening der voogdij weldra tot allerlei bezwaren aanleiding gaf. Bovendien vroeg graaf Wilhelm den voogden telkens met aandrang om financieele hulp uit de opbrengst van René's erfenis ten behoeve van zijn eeuwig proces, wat slechts in geringe mate door de Nassausche ambtenaren in de Nederlanden kon worden toegestaan, wilden zij die erfenis zooveel mogelijk ontzien. Ook graaf Wilhelm's hoop op definitieve toewijzing van Katzenelnbogen, nu in 1547 de Schmalkaldische Bond en haar hoofd, Philips van Hessen, het onderspit

Sluiten