Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooge renten van dien tijd gestelde schuldeischers. In 1554 bleek bij een nauwkeurig onderzoek, dat in het bijzonder de kosten der dagelijksche huishouding veel te hoog liepen, 's Prinsen raad, belast met het beheer zijner goederen en waarin wij de oude Nassausche raadsheeren van graaf Hendrik en prins René weder ontmoeten — hetzelfde lichaam, dat wij onder zijn nakomelingen onder den naam van Nassauschen Domeinraad kennen — onderzocht volgens zijn opdracht den toestand en bracht een omstandig advies uit, waarin de gezamenlijke kosten der huishouding op 52000 gulden per jaar werden berekend voor een personeel van 160 personen, waaronder 10 of 12 edellieden. Aan het hoofd der prinselijke huishouding kwam toen volgens hun advies een „maitre d'hotel" of hofmeester van ervaring, zelf edelman „de bien et de qualité"; onder hem een tweede hofmeester en een „esquyer" of stalmeester, eveneens van adel; dan was er nog een vrij wat besnoeide hofstaat. De huishouding zou voortaan slechts 24000 gulden kosten; voor kleeding, reizen, processen, reparatie, slijtage enz. bleef dan nog 12000 gulden over, wat genoeg scheen, als de Prins ook in zijn persoonlijke uitgaven meer orde wilde brengen, meende de raad. Tien jaar later blijkt de huishouding weder 44000 pd. te kosten en te bestaan uit 256 personen, waaronder 23 edelen, 26 pages, 26 keukenbedienden, 17 stalbedienden, 8 valkeniers, 7 jagers, 3 goudsmeden, .18 hellebardiers, eenige kleermakers, borduurwerkers, enz. In 1565 waren er 16 edellieden aan 's Prinsen hof verbonden. In 1569 wordt gemeld, dat hij in den laatsten tijd 152000 gulden inkomen had gehad tegenover een schuld van 98000 gulden en dat hij aan den financier Schetz de heerlijkheden Rumpst, Boom, Heyndonck, Hoboken, Willebroeck, Ruysbroeck en Hingine had verkocht, bovendien Herstal had verpand.

Ten slotte echter stonden zijne activa nog verre boven zijne passiva, hetgeen vooral te danken was aan de hooge waarde zijner Nederlandsche bezittingen, welker opbrengst geschat kon worden op 2/s van 's Konings eigen inkomsten uit de Nederlandsche domeinen. Van een snel naderend failliet, waarop Granvelle in de dagen van 's Prinsen ernstig verzet tegen den Koning herhaaldelijk toespelingen maakt, kon geen sprake zijn. Daarmede is ook in lijnrechten strijd het welsprekende feit, dat Oranje in 1559 de heerlijkheid Grave met het land van Kuik, eertijds in pandschap aan zijn schoonvader, Maximiliaan

Sluiten