Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

landsche adel, beducht voor een „staand leger", dat's Konings gezag ook tegenover hen zou kunnen steunen, verlangde dit en 8 Augustus 1559 eischten de Staten-Generaal te Gent, gesteund door de Vliesridders, onder wie ook Oranje, eenstemmig die verwijdering tot groote ergernis des Konings, die op het punt stond om naar Spanje te vertrekken en dezen herhaalden sterken aandrang beschouwde als een poging om zijn gezag te ondermijnen of ten minste als een blijk van wantrouwen in zijne bedoelingen..

Hier nu vinden wij het voor eerst onmiskenbare sporen van persoonlijke en staatkundige verwijdering tusschen Oranje en den Koning. Oranje stond in de zaak der Spaansche troepen geheel aan de zijde der Staten en had evenals Egmond aanvankelijk geweigerd het hem door den Koning aangeboden bevel, ieder over 8 Spaansche vendels, te aanvaarden ; ten slotte hadden zij wel toegegeven en het bevel aangenomen maar zeer tegen hun zin. Zij stijfden, naar 's Konings meening, de Staten in hun verzet. Hij had den Prins volgens dezen gezegd: als de Staten geen „pilares" hadden, zouden zij niet zoo luid spreken. Philips nam Oranje vooral diens houding hoogst kwalijk. Het verschil liep zoo hoog, dat Oranje feitelijk zijne commissie als lid van den Raad en bestuurder der financiën reeds in 1558 nederlegde, ofschoon de Koning hem toch nog over allerlei bleef raadplegen.

Er was nog meer verschil. In het kapittel der Orde van het Gulden Vlies te Antwerpen, door Philips in Januari 1559 gehouden, had Oranje een aanzienlijk aandeel in de keuze van sommige nieuwe Vliesridders, tegen wier verkiezing Philips ernstige bezwaren had, met name tegen den heer van Montigny en den graaf van Hoogstraten. Het was daarbij de bedoeling geweest het aantal Nederlandsche Vliesridders aanzienlijk te versterken en op die wijze het aanzien van dien adel, die overwegenden invloed wilde uitoefenen op het landsbestuur, te vergrooten. En die invloed was in deze periode van Savoye's landvoogdij reeds aanzienlijk: de vreemde, uit. zijn eigen gebied verdreven en met de Nederlanden weinig bekende landvoogd, tevens kapitein-generaal en als zoodanig voortdurend met de Nederlandsche heeren samenwerkend, was in den oorlog met Frankrijk de wapenbroeder van deze heeren geweest en zoowel Granvelle als de latere landvoogdes Margaretha van Parma wijzen later meer dan eenmaal op hunne schuld aan de verwarring en de financieele ontreddering dezer periode, toen zij zooveel hadden in te brengen.

Sluiten