Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch kon Philips er niet buiten Oranje, die hem •werkelijk groote diensten had - bewezen, te belasten met een aanzienlijk aandeel in de na zijn vertrek in te richten nieuwe landsregeering. Hij benoemde hem 9 Augustus 1559 tot gouverneur van de belangrijke gewesten Holland, Zeeland en Utrecht, op welke waardigheid de Prins den 2 8sten te Gent den eed aflegde in handen van de nieuwbenoemde landvoogdes, Margaretha van Parma, bastaardzuster des Konings. Een gratificatie van 40000 pd. uit de staatskas werd hem tevens toegezegd.

Even vóór deze eedsaflegging (24 Aug.) had de Koning de Nederlandsche gewesten verlaten om er nooit meer terug te keeren. Nog in de laatste dagen van zijn verblijf in Zeeland, van waar hij de zeereis naar Spanje ondernam, drong hij er bij den Prins op aan zijn post in den Raad van State weder te gaan bekleeden. Oranje gaf half onwillig toe, weinig gezind om mede te werken in de nieuwe regeering, waarvoor Granvelle nog den 7<ien namens den Koning tegenover de Staten-Generaal beginselen had uiteengezet, die met zijn opvattingen volstrekt niet strookten. Een bericht uit veel later dagen vermeldt, dat Philips bij het afscheid te Vlissingen den Prins, die met hem over het verzet der Staten had gesproken, ontstemd en heftig toevoegde: „Non los Estados, ma vos, vos, vos", „niet de Staten, maar gij, gij, gij".

Deze anecdote teekent in ieder geval de reeds toen bestaande ontstemming des Konings wegens de houding der Nederlandsche heeren tegenover hem, die niet de Nederlanden maar Spanje als het voornaamste gebied onder zijn gezag beschouwde en de Spaansche belangen tot richtsnoer van zijn gansche wereldpolitiek had aangenomen — een inzicht, dat door den Prins en zijn standgenooten onder den Nederlandschen adel volstrekt niet werd gedeeld. Het was het oude, in de Bourgondische regeeringskringen sedert Maximiliaan en Philips den Schoone herhaaldelijk gebleken verschil tusschen de Bourgondische staatkunde en de Habsburgsch-Spaansche, de dynastieke wereldpolitiek der vorsten. Karei V had door zijn persoonlijken invloed en zijn populariteit de klip herhaaldelijk weten te ontzeilen; zijn zoon was vast van plan zijn wil ten dezen onverbiddelijk door te zetten. Oranje daarentegen en wie er verder met hem de Bourgondische belangen vertegenwoordigden, waren niet gezind om zich aan deze plannen te onderwerpen en blinde dienaren te worden van 's Konings

Sluiten