Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou weten te houden. Den volgenden morgen opnieuw bij de landvoogdes ontboden, sprak hij nog fierder, weigerde langer uitstel dan tot het einde der maand, wanneer het huwelijkscontract moest worden afgesloten, en verklaarde ten dezen alleen met zijn eer te rade te zullen gaan. Evenwel kwam hij 9 April nogmaals bij de landvoogdes en Granvelle met de tammere verklaring, dat hij, overeenkomstig de geuite wenschen des Konings en der regeering, had „demandé avoyr déclaration particuliere de la damme", waarop hij verzocht te willen wachten.

Ook in Duitschland ging alles volstrekt niet glad van stapel. De Prins zond daarom, na een bespreking te Deventer, zijn vertrouwde vrienden Günther van Schwarzburg en den ruiteroverste Georg von Holl nogmaals naar Saksen. Om hier alle bezwaren op te heffen, verklaarden zij namens den Prins, dat deze zich „wollbedechtig erboten" had om Anna's kinderen onder den titel van „markgraven" met een aanzienlijke jaarlijksche rente te begiftigen en tevens, dat hijzelf „die wahre christliche reiigion", d. i. hier natuurlijk het Lutheranisme, nog wel niet openlijk liet prediken maar het „hertzlich geneigt" (d. i. in zijn hart, heimelijk toegedaan) was en geen bezwaar had zijn gemalin een lutherschen predikant toe te staan, ja haar zelfs, zij het dan binnenskamers, het sacrament naar lutherschen ritus te laten genieten.

Dit nu was juist het tegenovergestelde van wat hij aan den Koning, de landvoogdes en Granvelle betuigd had: hier aanhankelijkheid aan de „ware* Kerk, daar neiging tot het Lutheranisme — want aan een het als een soort van revolutionnair volksgeloof beschouwde Calvinisme dacht de Prins zeker geen- oogenblik. De vraag is hier, of 's Prinsen vertegenwoordigers inderdaad diens gevoelens naar waarheid hebben voorgesteld. Zij, of ten minste een hunner, hadden hem begin April te Deventer ongetwijfeld gesproken. De Prins geeft van de hun toen verstrekte machtiging aan Granvelle en de landvoogdes een geheel andere voorstelling, maar wat hemzelven in het bijzonder betreft, keurvorst August erkent later omtrent de „reiigion" in het algemeen, dat de Prins hem zooveel „vertreuüch erklart" had, dat de familie „unser gewissen halben zufrieden sein sollte". Men mag dus, met het oog op wat later volgde, wel degelijk aannemen, dat zij naar Oranje's bedoeling hebben gesproken. Hoe dit zij — het is niet uit te maken, wat de Prins precies aan beide heeren heeft gezegd, noch wat dezen aan keurvorst August hebben verklaard — keurvorst August zond nu

Sluiten