Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE STRIJD TEGEN GRANVELLE.

Het eigenlijke hoofd der Bourgondische regeering sedert het vertrek van koning Philips naar Spanje was niet de door hem aangestelde landvoogdes, hertogin Margaretha van Parma, die op verre na niet de talenten van hare voorgangster, hare tante Maria van Hongarije, of van hare oud-tante Margaretha van Savoye bezat, maar sedert 1540, toen hij nauwelijks 23 jaar was, de allengs vertrouwde raadsman zijns vaders en later van hemzelven geworden, Antoine Perrenot de Granvelle, bisschop van Atrecht. De Venetiaansche gezant Suriano roemt hem als den besten van Philips' raadslieden, handig en bekwaam, ervaren en doortastend. Hij was verder eerzuchtig, trotsch onder den schijn van priesterlijke welwillendheid en bovenal heerschzuchtig, gehecht aan de macht, die hij bezat. Bij de onderhandelingen over den wapenstilstand van Vaucelles, maar nog meer bij die te Cateau-Cambresis, die eindelijk tot den zoo gewenschten vrede leidden, had hij zich een uitstekend diplomaat getoond. Hij had den Koning den raad gegeven niet de hertogin van Lotharingen maar Margaretha landvoogdes te maken; hij werd thans het invloedrijkste lid van den Raad-van State, samenwerkend met den president van den Geheimen Raad, den geleerden jurist Viglius van Zwichem, evenals hij trouw dienaar van Karei V en lid van den Raad van State, en met dien van den Raad der Financiën, den belangzuchtigen en onbeteekenenden maar jegens den Koning, zijn machtigen beschermer, van wien hij voor zich en

Sluiten