Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem in ieder geval als ouderen vriend en leermeester in staatszaken geëerd; Granvelle van zijn kant had den veelbelovenden jongman vriendelijk behandeld met een soort van vaderlijke genegenheid, die ook van de andere zijde beantwoord scheen te worden. Toch bestond er, zooals wij zagen, sedert 1558, van Oranje's zijde ten minste, een merkbare tegenstelling.

In 1561 begon Oranje duidelijk een scherpere houding tegenover hem aan te nemen. Reeds in de zaak van het tweede huwelijk was verschil van inzicht gebleken. Maar er was veel meer. De nieuwe bisschoppelijke inrichting, welker hoofd Granvelle zou zijn, was den Nederlandschen adel, die zich daardoor voortaan verstoken zag van invloed op de bezetting der voordeelige hooge geestelijke ambten en verder met name in Brabant de macht der nieuwe van den Koning afhankelijke bisschoppen in de Statenvergadering vreesde, een doorn in het oog. Oranje, Egmond en Bergen, de aanzienlijkste Brabantsche edelen, waren weldra de werkelijke hoofden eener heftige Brabantsche oppositie tegen de uitvoering der kerkelijke plannen, waartegenover men zich in de Brabantsche Statenvergadering op de Joyeuse Entree beriep, ook uit vrees voor sterkere werkzaamheid der hier te lande niet populaire en in Brabant nooit toegelaten inquisitie, waarvan men vreesde, dat zij iets moest worden als de beruchte Spaansche.

De met die uitvoering belaste Granvelle stond daarbij tegenover hen en trachtte Oranje en Egmond, als leden van den Raad van State, mede verantwoordelijk te stellen voor de ten deze genomen besluiten gelijk voor andere daden der regeering. Dit nu ging den beiden heeren veel te ver, daar die regeering feitelijk in handen van Granvelle was. Zij hielden dezen, ten onrechte, voor den man, die het geheele bisschoppelijke plan had uitgedacht, ook voor den man, die het vertrek der nog lang na den vrede in de Nederlanden aanwezige en veel geld kostende Spaansche regimenten, die eerst 10 Jan. 1561 het land verlieten en van Zeeland uit naar Spanje terugkeerden, had vertraagd. Zij klaagden terecht over feitelijke achteruitzetting in regeeringszaken, omdat Granvelle den onder Savoye oppermachtigen Raad van State alleen een schijnwerkzaamheid liet, geheel in strijd mèt de belofte des Konings vóór zijn vertrek om hunzelven als te voren de autoriteit in de regeering te laten. Zij vonden steun bij hun medelid in den Raad van State, den heer van Glajon, bevelhebber der artillerie, en vooral bij Bergen, die, wegens zijn oppo-

Sluiten